Conceptwetsvoorstel modernisering kleineondernemersregeling, brief aan het Ministerie van Financiën

Stuur ons een bericht


We proberen binnen 2 werkdagen te reageren.
Verder gelden deze spelregels.
Annuleren
? Contact
01-05-2018

Geachte dames en heren,

 

Graag reageren wij op het conceptwetsvoorstel Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (modernisering kleineondernemersregeling).
Uit het wetsvoorstel blijkt het voornemen om met ingang van 1 januari 2020 de kleineondernemersregeling in de btw (hierna: de KOR) te moderniseren en toe te spitsen op in het bijzonder ondernemers die leveringen of diensten verrichten aan consumenten (B2C).

 

De KOR ontziet kleine ondernemers bij de verplichtingen die samenhangen met het btw-ondernemerschap, omdat kleine ondernemers verhoudingsgewijs hogere btw-nalevingskosten dragen dan grotere ondernemers. De bestaande KOR is een kortingsregeling: er wordt een korting gegeven op de af te dragen btw. Daarnaast kent de regeling een administratieve faciliteit. De nieuwe KOR¹ is een aan de omzet gekoppelde vrijstellingsregeling. Is de omzet lager dan de omzetgrens en kiest de ondernemer voor toepassing van de regeling, dan brengt hij geen btw in rekening aan zijn afnemers. Daar staat tegenover dat hij de btw die andere ondernemers aan hem factureren, niet in aftrek mag brengen. Ook wordt hij ontheven van het doen van aangifte en de daarbij horende administratieve verplichtingen.

 

Wat de voorgestelde nieuwe KOR betreft, hebben wij onder meer vastgesteld dat:

  • Een omzetgrens een gelijke toegang tot de regeling biedt.
     
  • De rechtsvorm waarin de ondernemer actief is, geen rol meer speelt.
     
  • De vrijstellingsregeling in beginsel tot minder concurrentieverstoring leidt dan de huidige KOR.
     
  • In tegenstelling tot de bestaande KOR alle ondernemers die de regeling toepassen van administratieve verplichtingen worden ontheven.
     
  • De vrijstellingsregeling meer flexibiliteit biedt. De bestaande KOR kan vanwege de Europese stand-still-bepaling niet worden verbeterd. De nieuwe regeling kent die beperking niet.
     

Het geven van een afgewogen oordeel over de omvorming van de KOR van een kortings- tot een vrijstellingsregeling is voor ons evenwel nog niet mogelijk, omdat het conceptwetsvoorstel daarvoor nog niet voldoende houvast biedt. Een aantal cruciale gegevens is in het conceptwetsvoorstel namelijk nog niet ingevuld (wij wijzen op de met PM aangeduide onderdelen van de toelichting). Gezien het feit dat Nederland een zeer heterogeen ondernemersbestand kent, loopt de relevantie van de (omvorming van de) KOR tussen en ook binnen (de bij ons aangesloten) branches sterk uiteen.
Voor ons is een noodzakelijke voorwaarde voor een afgewogen oordeel dat inzicht wordt gegeven in:

  1. Het niveau van de omzetgrens.
     
  2. Het aantal ondernemers dat in 2017 van de KOR gebruik maakte en de spreiding daarvan over de diverse branches.
     
  3. Het aantal ondernemers – en de spreiding daarvan over de diverse branches – dat naar verwachting van de nieuwe KOR gebruik zal maken. Dat het aantal gebruikers potentieel groot is, blijkt uit de Ombuigings- en intensiveringslijst. Daarin wordt gesteld dat, uitgaande van een omzetgrens van € 20.000, binnen de huidige groep van 1,9 mln. btw-plichtige ondernemers circa de helft een omzet heeft van minder dan € 20.000.
     
  4. De effecten van de introductie van de omzetgrens op ondernemers in de diverse branches, waarbij ruim aandacht wordt besteed aan de mogelijkheid van concurrentieverstoring.
     
  5. De omvang van de reductie van administratieve lasten die de overgang van de bestaande op de nieuwe KOR naar verwachting met zich zal brengen.
     

Niettegenstaande het voorgaande reageren wij hieronder wel graag op een aantal elementen van de nieuwe KOR. Die elementen zijn:

  • Het optionele karakter van de nieuwe KOR
    Wij waarderen de keuzemogelijkheid van de ondernemer positief.
     
  • Het voorkomen van ongewenste jojo-effecten
    Volgens de toelichting op het conceptwetsvoorstel is het ongewenst dat belastingplichtigen strategisch gedrag gaan vertonen en bijvoorbeeld per aangiftetijdvak of investering kunnen kiezen of zij de KOR willen toepassen. Om ongewenste jojo-effecten tegen te gaan, bevat het wetsvoorstel een bezinningsperiode van drie jaar. Opzegging is eerst na drie jaar mogelijk en na een opzegging kan een ondernemer pas na drie jaar weer voor toepassing van de KOR in aanmerking komen. Deze lange toepassings- en bezinningsperiode lijkt vooral te zijn ingegeven door het uitvoeringsbelang van de Belastingdienst. Wij zijn van mening dat voorkomen moet worden dat kleine ondernemers die voor de KOR hebben gekozen, gedwongen worden in een regeling te blijven, terwijl die regeling door een wijziging van omstandigheden niet meer passend is. Gedacht kan worden aan de situatie waarin een ondernemer aan het begin van een jaar al kan voorzien dat de omzetgrens in de loop van het jaar overschreden zal worden.
     
  • Het vervallen van de mogelijkheid van een jaaraangifte
    Ook het vervallen van de mogelijkheid van een jaaraangifte lijkt te zijn ingegeven door het uitvoeringsbelang van de Belastingdienst. Invoering van dit voorstel staat haaks op het doel van de KOR: een vermindering van administratieve lasten van kleine ondernemers. Wij pleiten dan ook voor handhaving van de mogelijkheid een jaaraangifte te doen.
     

Graag verzoeken wij u deze zaken bij de verdere besluitvorming te betrekken. Uiteraard zijn wij te allen tijde bereid tot een nadere toelichting.

 

Hoogachtend,

 

 

Mr. J.M Lammers

Directeur Economische Zaken


¹ Officiële naam: Facultatieve omzetgerelateerde vrijstellingsregeling van omzetbelasting (OVOB). Uit een oogpunt van kenbaarheid zou handhaving van de ingeburgerde aanduiding/afkorting kleineondernemersregeling/KOR naar onze mening de voorkeur verdienen.