We staan in het linker rijtje met R&D

Stuur ons een bericht


We proberen binnen 2 werkdagen te reageren.
Verder gelden deze spelregels.
Annuleren
? Contact
03-11-2017

 Nederland was 'loosing momentum', vond de Europese Commissie zo'n vijftien jaar geleden. Het veel bediscussieerde Innovatieplatform ging van start. De noodzaak was groot. Nederland was gezakt naar de dertiende positie in de ranking van meest competitieve economieën, stond in de lijst op plaats 17 op het gebied van innovatie, en kende een private R&D-intensiteit van net 1 procent van het bruto binnenlands product (BBP). Hoe anders staan we er nu voor. Nederland is de top 5 binnengedrongen van meest competitieve economieën en wordt op door de Europese Commissie nu gezien als 'innovation leader'.

 

Opmars van R&D

Ook op de achilleshiel van de Nederlandse kenniseconomie, de private investeringen in research & development, is verbetering te zien. Zouden we het over voetbal hebben, dan is Nederland aan een mooie opmars bezig in het linker rijtje. De R&D-uitgaven van bedrijven zijn tussen 2013 en 2016 met bijna 1 miljard toegenomen. De R&D-intensiteit van het Nederlandse bedrijfsleven ligt nu op 1,2 procent van het BBP. Dat is bijna op het EU-gemiddelde, terwijl we daar jarenlang ruim onder lagen. In diezelfde periode is de publieke R&D-intensiteit constant is gebleven (ruim onder de 1 procent).

 

Concurrentiefactoren van de toekomst

Die investeringen zijn zo belangrijk omdat ze de basis vormen van nieuwe producten, processen en diensten. Doe je die uitgaven en dat onderzoek niet, dan droogt je pijplijn van producten en diensten op en verlies je de concurrentie. Kennis en innovatie zijn immers de concurrentiefactoren van de toekomst. Met deze investeringen spelen bedrijven bovendien in op de maatschappelijke uitdagingen waar de wereld voor staat.

 

Samenwerking

Maar het bedrijfsleven kan het niet alleen. Innovatie vindt steeds meer plaats in samenwerkingsverbanden met kennisinstellingen en de overheid; de in Nederland zo geprezen 'gouden driehoek'. Zo hebben we nu een open en goed vestigingsklimaat met aantrekkelijke fiscale regelingen voor innovatie, en voert de overheid sinds 2010 een vrij stabiel innovatie- en topsectorenbeleid zonder grote schommelingen. Dat is winst, want voorheen ging het elke vier jaar het beleid over de kop. De kennisinstellingen, van fundamenteel tot toegepast onderzoek, werken aan inspirerende onderzoeksprogramma’s die aan de wieg staan van nieuwe innovaties. Dat legt ze zelf overigens ook geen windeieren: ieder jaar investeren bedrijven ruim 500 miljoen euro in deze instellingen.

 

400 miljoen extra in regeerakkoord

Reden tot optimisme dus. Maar uit het voetbal weten we ook dat een goede positie geen vast gegeven is. Het slechtste wat we kunnen doen is achteroverleunen. Goed dus dat de overheid na ingrijpende bezuinigingen ook weer de portemonnee trekt. De 400 miljoen euro extra in het regeerakkoord is echt broodnodig, want ook aan publieke kant mag de bron van kennis niet opdrogen en moet het onderzoek excellent blijven. Tegelijk moeten we dat geld deels ook zo inzetten dat het als hefboom gaat werken voor extra private investeringen. Alleen zo blijft de innovatiemotor op volle toeren draaien.

 

Thomas Grosfeld

Beleidssecretaris innovatie en industriebeleid