De maatschappelijke kosten en baten van de beroepsbegeleidende leerweg

Stuur ons een bericht


We proberen binnen 2 werkdagen te reageren.
Verder gelden deze spelregels.
Annuleren
? Contact
12-09-2019

De beroepsbegeleidende leerweg (BBL) combineert een middelbare beroepsopleiding met het minimaal drie dagen per week opdoen van praktijkervaring bij een leerbedrijf. Die combinatie blijkt van grote maatschappelijke waarde voor Nederland. Het saldo van maatschappelijke kosten en baten van de BBL bedraagt bijna 1,4 miljard euro per jaar. De baten zitten vooral in een hogere productie door de ontwikkeling van meer kennis en vaardigheden bij BBL-studenten, waardoor de arbeidsproductiviteit hoger ligt en de werkloosheid lager dan in een situatie zonder BBL-opleiding. Tegenover die baten staan vooral hogere kosten voor de begeleiding van BBL-studenten door medewerkers van leerbedrijven en – in mindere mate – door mbo-instellingen.

 

Hogere productie en nationaal inkomen

De grootste bijdrage aan de hogere maatschappelijke welvaart door de BBL-opleiding zit in de hogere toegevoegde waarde (productie) en daarmee een hoger nationaal inkomen met ruim 1,6 miljard euro per jaar. Die hogere productie komt gedeeltelijk voort uit een hogere arbeidsproductiviteit als gevolg van meer opgebouwde kennis en ervaring door BBL-gediplomeerden, gedeeltelijk uit de hogere werkgelegenheid als gevolg van de BBL-opleiding. Het hogere nationaal inkomen komt terecht als extra netto looninkomsten bij BBL-gediplomeerden (811 miljoen euro), als extra loonbelasting en premies bij de overheid (356 miljoen euro), als extra winstbelasting bij de overheid (116 miljoen) en als een hogere netto winst bij werkgevers (462 miljoen euro).

 

Hogere kosten voor begeleiding van BBL-studenten

Tegenover de extra opbrengsten voor werkgevers staan ook aanzienlijke extra kosten, vooral voor de begeleiding van BBL-studenten door medewerkers bij (leer)bedrijven (422 miljoen euro). De extra kosten voor werkgevers worden gedeeltelijk gecompenseerd door een subsidie van 194 miljoen euro uit de subsidieregeling Praktijkleren, betaald door de overheid. Per saldo heeft het bedrijfsleven een positief resultaat van 124 miljoen euro per jaar door het bestaan van de BBL-opleiding.

 

Positieve baten voor studenten over de levensloop

De (extra) netto looninkomsten van 811 miljoen euro per jaar die de groep BBL-studenten ontvangt, is het gemiddelde over de levensloop van BBL-gediplomeerden ten opzichte van de situatie zonder BBL-diploma. In de jaren na de opleiding ligt het looninkomen en daarmee de arbeidsproductie relatief hoog, maar dat verschil verdwijnt op langere termijn. Tegenover het hogere looninkomen staat wel een verlies aan studiefinanciering (251 miljoen euro) voor de BBL-studenten die in het nulalternatief de beroepsopleidende leerweg (BOL) zouden doen en het verlies aan inkomsten uit een uitkering (315 miljoen euro) voor de BBL-studenten die in het nulalternatief werkloos zouden zijn. Het saldo voor BBL-studenten blijft echter positief (308 miljoen euro).

 

Grootste baten BBL voor de overheid

Per saldo komen de grootste baten van de BBL-opleiding terecht bij de overheid (962 miljoen euro per jaar), ondanks de kosten voor de subsidieregeling Praktijkleren (194 miljoen euro) en de hogere bekostiging van het mbo (56 miljoen euro). Dat komt omdat er grote inkomsten tegenover staan, met name de hogere opbrengsten uit loonbelasting en premies (356 miljoen euro), de hogere opbrengsten uit de winstbelasting (116 miljoen euro), de lagere kosten voor studiefinanciering (251 miljoen euro) en de lagere kosten voor uitkeringen (315 miljoen euro) in vergelijking met een situatie zonder de BBL. Kleinere voordelen voor de overheid betreffen lagere kosten voor re-integratiedienstverlening (70 miljoen euro), lagere zorgkosten (45 miljoen euro) en lagere maatschappelijke kosten voor bijvoorbeeld criminaliteit (60 miljoen euro).

 

Subsidieregeling Praktijkleren

Vrijwel alle maatschappelijke partijen profiteren van het bestaan van de BBL-opleiding, zowel werkgevers, BBL-studenten als de overheid. Inclusief de subsidieregeling Praktijkleren, waarmee de overheid het bedrijfsleven tegemoetkomt voor de kosten die het maakt voor het beschikbaar stellen en begeleiden van BBL-plaatsen, is het de overheid die het meeste profijt heeft van de BBLopleiding: 962 miljoen euro op een totaal van 1.393 miljoen euro aan maatschappelijke waarde per jaar (69 procent). BBL-studenten hebben gedurende hun carrière gemiddeld meer netto inkomsten door het BBL-diploma en kennen ondanks het mislopen van studiefinanciering en uitkeringen uit het nulaltarnatief een jaarlijks voordeel van gemiddeld 308 miljoen euro (22 procent van het totale saldo). In verhouding daarmee profiteert het bedrijfsleven het minst van de BBL-opleiding, namelijk 124 miljoen euro per jaar (9 procent van het totale saldo). Dat komt omdat tegenover een hogere productie en winst substantiële kosten voor de begeleiding van BBL-studenten staan. Gelet op deze verdeling van kosten en baten over de verschillende maatschappelijke partijen, is er alle reden om de BBL-opleiding te financieren én subsidiëren vanuit de overheid. De baten van de BBL-opleiding wegen voor de overheid ruimschoots op tegen de kosten ervan. Die scheve verdeling kan aanleiding zijn om de subsidieregeling Praktijkleren te verhogen, zodat er voor bedrijven een prikkel is om meer BBL-plaatsen te creëren en daarmee de maatschappelijke baten verder te vergroten. Versobering van de subsidieregeling Praktijkleren zorgt voor een prikkel voor het bedrijfsleven om juist minder BBL-plaatsen aan te bieden. Wanneer de totale omvang van de regeling voor BBL-plaatsen onder de 124 miljoen euro komt, is het voor het bedrijfsleven als geheel niet meer lonend om nog BBL-plaatsen aan te bieden. Afschaffing van de subsidieregeling Praktijkleren zou bedrijven stimuleren om naar goedkopere vormen van opleiden te zoeken, die maatschappelijk minder opbrengen.

 

Maatschappelijke kosten-batenanalyse

Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) van de BBL. Een MKBA is een goede manier om een totaalbeeld te geven van alle effecten van een beleidsmaatregel. De effecten worden waar mogelijk in geld uitgedrukt. Hierdoor wordt duidelijk wat het relatieve belang van de effecten is en of de baten de kosten overtreffen. Ook wordt daarmee de verdeling van kosten en baten van de BBL over alle relevante maatschappelijke partijen helder, waaronder in elk geval die voor werkgevers, studenten, mbo-instellingen en de overheid. Het effect van de BBL is het verschil tussen een wereld mét BBL (het beleidsalternatief) en een wereld zónder BBL (het nulalternatief). Ook in het nulalternatief zijn de huidige BBL-studenten (deels) aan het werk en/of volgen zij (deels) een opleiding, verdienen daarmee inkomen en dragen bij aan de productie en toegevoegde waarde, zowel op korte als op langere termijn. Het verschil is dat die opleidingen geen BBL-opleidingen zijn en dat de opgedane kennis en ervaring er anders uitzien. Dat heeft consequenties voor baankansen, werkgelegenheid en de arbeidsproductiviteit.

 

Voor de kwantificering van effecten, kosten en baten zijn verschillende bronnen gebruikt. Een eerste bron is een online enquête, uitgezet onder meer dan 34.000 erkende leerbedrijven, met medewerking van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Dit heeft een bruikbare respons opgeleverd van 1.619 leerbedrijven, met een ruime variatie over branches. Naast de enquête onder leerbedrijven is gebruikgemaakt van registratiegegevens van personen met een mbo-opleiding, waaronder een BBL-opleiding, die beschikbaar zijn via het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Met deze CBS Microdata is inzicht verkregen in (onder andere) de arbeidsmarktpositie en het inkomen van studenten over hun levensloop. Verschillen in arbeidsmarktpositie en inkomen tussen studenten met en zonder BBL-diploma geven inzicht in verschillen in werkgelegenheid, productiviteit, inkomen en het beroep op sociale voorzieningen die relevant zijn voor de maatschappelijke kosten en baten van de BBL ten opzichte van het nulalternatief.