5 OKT, 2026
Position paper: Begrotingsbehandeling Economische Zaken
5 oktober 2026 – Binnenkort behandelt u de begroting van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (deel Economische Zaken). U doet dit onder een ogenschijnlijk positief economisch gesternte. De Nederlandse economie trekt aan. In het tweede kwartaal groeide het bbp met 0,6 procent en het CPB verwacht voor 2026 een groei van 1,4 procent.
Achter dit relatief positieve macro-economische beeld gaat een kwetsbare economische ontwikkeling schuil. De groei is sterk geconcentreerd in enkele sectoren, zoals machine-industrie, ICT en farmacie. Ook zorg en overheid dragen sterk bij; de werkgelegenheidsgroei kwam de afgelopen jaren per saldo zelfs volledig uit de semipublieke sector.
In grote delen van het bedrijfsleven staan marges en rendementen onder druk. In het mkb groeide de winst in 2025 met slechts 3,4 procent en zag de helft van de bedrijven de winst dalen. In de bouw, detailhandel en horeca nam de gemiddelde winst af. In industrie en logistiek steeg deze wel, maar zag eveneens ongeveer de helft van de bedrijven de winst dalen. In vervoer en opslag was bijna een kwart verlieslatend.[1]
Kijken we naar de structurele groeimotoren van onze economie dan zien we dat de groei van de arbeidsproductiviteit beperkt blijft, terwijl juist productiviteitsgroei steeds belangrijker wordt bij een krapper wordende arbeidsmarkt. Ook de investeringen blijven achter: in 2025 daalden de bedrijfsinvesteringen met 2,9 procent. Ondernemers wijzen op regeldruk, belastingen en premies, hoge loon- en energiekosten, netcongestie, stikstof en onzeker overheidsbeleid (denk daarbij aan het ongericht schrappen van ondernemingsregelingen) als oorzaken voor achterblijvende investeringen.
Ruim 61 procent van de ondernemers beoordeelt het ondernemingsklimaat inmiddels als slecht of zeer slecht en 44 procent verwacht investeringen uit te stellen.[2]
Het verbeteren van het ondernemingsklimaat moet daarom een centrale prioriteit zijn van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
De structurele economische groei is immers te laag om op termijn de stijgende uitgaven aan onder meer zorg, sociale zekerheid en veiligheid te kunnen dragen. Het huidige ondernemingsklimaat zet simpelweg een rem op groei.
De begroting van Economische Zaken en Klimaat is gegeven deze stevige uitdaging bijzonder bescheiden. De echt broodnodige extra investeringen in technologie (AI, quantum, biotech) of het echt werk maken van onze dalende fiscale positie en de stevige belastingdruk op de DGA zijn er niet in te vinden. Ook is onduidelijk of en op welke manier het ministerie écht een leidende rol heeft bij het opvolgen van de aanbevelingen van het rapport Wennink.
Toch worden wel stappen gezet door het ministerie, denk bijvoorbeeld aan NADI of het NII. VNO-NCW en MKB-Nederland denken dat ook binnen de huidige begroting met een aantal concrete suggesties nog verdere stappen mogelijk zijn. Die staan centraal in deze brief. Samengevat gaat het om:
- samen met het georganiseerde bedrijfsleven een stevige aanpak van regeldruk ontwikkelen;
- komen tot een heldere en slagvaardige governance van het industriebeleid, met een duidelijke rol en betrokkenheid van het georganiseerde bedrijfsleven en een veel stevigere positie voor het mkb;
- de PPS-i-regeling ombouwen tot een regeling die daadwerkelijk werkt voor het bedrijfsleven;
- inzetten op de adoptie van AI door het mkb;
- een strategie ontwikkelen die stevige deelname van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen aan Europese industrie- en innovatieprogramma’s mogelijk maakt;
- de grenseffectentoets voor ondernemers in de grensregio verbeteren;
- de positie van het mkb bij aanbestedingen verbeteren;
- de Wet BIZ moderniseren.
Deze en andere punten staan verder uitgewerkt in deze notitie.
Ondertussen gaan we graag met het kabinet in gesprek over een veel structurelere aanpak van het versterken van ons ondernemingsklimaat en de manier waarop we de ‘nationale opgave economische groei’, die in de Miljoennota zo helder staat beschreven, echt stevig kunnen verankeren.
1. Naar een stevige aanpak rondom regeldruk
Ook dit jaar weer komt regeldruk als grootste knelpunt uit de Prinsjesdagpeiling. Het gaat ondernemers niet alleen om minder regels, maar ook om eenvoudigere regels, minder dubbele informatieverzoeken, minder administratie, stabielere wetgeving en snellere procedures. Op nummer twee en drie staan lagere werkgeverslasten en een beter werkend stelsel rond ziekte en arbeidsongeschiktheid, waarbij de twee jaar lange loondoorbetaling en bijbehorende re-integratieverplichtingen het meest concrete punt is. Het is een verbetering dat het kabinet meetbare doelen per departement stelt in het aantal regels. Om echt impact te maken, is echter meer nodig.
VNO-NCW en MKB-Nederland bieden het kabinet graag een uitgestoken hand om samen die knelpunten aan te pakken, die in termen van kosten en werkbaarheid bedrijven het meest belemmeren.
We vragen de Tweede Kamer de MEZK op te roepen om met het georganiseerd bedrijfsleven met een stevige aanpak te komen.
2. Digitalisering
VNO-NCW en MKB-Nederland zien dat in de begroting EZ belangrijke stappen worden gezet op het terrein van digitalisering. Het kabinet maakt terecht werk van het bevorderen van AI met gerichte investeringen in een AI-fabriek en het aanhaken bij de IPCEI AI. Om van AI in Nederland een succes te maken is er echter meer nodig.
Zo zien we dat de adoptie van AI in het mkb niet snel genoeg gaat. Door gebrek aan kennis, onzekerheid over de regelgevingskaders en andere factoren blijven AI-activiteiten vaak hangen bij eenvoudige procesverbeteringen en komen juist de meer transformatieve AI-projecten onvoldoende tot stand. Daardoor blijft de voor ondernemers én voor onze nationale economie zo noodzakelijke productiviteitssprong uit.
VNO-NCW en MKB-Nederland vinden het belangrijk dat het ministerie van Economische Zaken met een actieplan komt om adoptie van AI in het mkb te stimuleren.
Op infrastructureel gebied komen investeringen hoofdzakelijk uit de private sector. Op enkele punten is overheidsinzet echter noodzakelijk, zoals bij het zorgen voor het behoud van aanlanding van zeekabelcapaciteit. VNO-NCW en MKB-Nederland zijn dan ook positief over de initiële investering die nodig is voor voorbereidend (bodem-)onderzoek.
Naast de ontwikkeling van AI is er veel rekencapaciteit nodig voor het toepassen van AI in vele sectoren.
Dit vraagt van de overheid dat daarvoor letterlijk en figuurlijk ruimte wordt gereserveerd. Dit impliceert dat het huidige restrictieve datacenterbeleid omgezet wordt in een verantwoord ‘waar kan het wel’-beleid.
3. Innovatie en industriebeleid
Nederland verdient een krachtig innovatie- en industriebeleid. VNO-NCW en MKB-Nederland benadrukken hoe belangrijk het is om de aanbevelingen van Wennink door te voeren om de verstikkende deken over ondernemend Nederland weg te trekken en te komen tot een gunstig investeringsklimaat.
We blijven daarbij wel aandacht vragen voor de governance van het innovatie- en industriebeleid. Met het verdwijnen van het Topsectorenbeleid is een herkenbare structuur voor publiek-private samenwerking grotendeels verdwenen. Daarvoor is geen duidelijk nieuw model in de plaats gekomen. Inmiddels ontstaat een landschap van onder andere de Ministeriële Taskforce, de Productiviteitsraad, de Nationale Investeringsinstelling, het NADI, Departementale Themateams (onder het Missie gedreven Innovatiebeleid), Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s), de Semicon Board, het Sectorbestuur Chemie en Materialen, Biotech Board, DefBoard, bestaande uitvoeringsorganisaties, departementen en regionale organisaties. De afzonderlijke onderdelen kunnen waardevol zijn maar het geheel is dat nog niet.
We vragen de Tweede Kamer aan de Minister te vragen te komen met een heldere en slagvaardige governance van het industriebeleid, inclusief een duidelijke rol en betrokkenheid van het (georganiseerd) bedrijfsleven.
Monitor de voortgang Wennink
Wij herkennen de ambitie van het kabinet op dit punt en zien ook positieve ontwikkelingen met bijvoorbeeld de inzet op een NII en een NADI. In een recent paper dat we hebben opgesteld voor uw debat over het Rapport Wennink gaan we hier uitgebreid op in.[3] Tegelijkertijd zien we ook dat onduidelijk is hoe en met welk tempo echt werk wordt gemaakt van Wennink. Op Europees niveau wordt de voortgang van de implementatie van het rapport Draghi systematisch gemonitord via de Draghi Implementation Index.[4]
VNO-NCW en MKB-Nederland pleiten voor een soortgelijke Wennink implementatie index. Dit geeft de Tweede Kamer ook veel beter de kans om voortgang te monitoren en bij te sturen.
WBSO
We zijn gelukkig met de inzet op stabiele parameters voor de WBSO. Voor bedrijven die langjarig investeren in innovatie is het essentieel op deze stabiele regeling te kunnen vertrouwen. Tegelijkertijd juichen we ook toe dat dit kabinet onderzoekt of administratieve lasten verlaagd kunnen worden en of meer R&D op het terrein van AI/ programmatuur onder de WBSO kan vallen.
Dergelijke verbeteringen zullen naar verwachting in meer of mindere mate ook leiden tot extra druk op het budget. Wij pleiten ervoor dat in dat geval het budget verruimd zou moeten worden (om daarmee te voorkomen dat de parameters naar beneden moeten worden bijgesteld).
Publiek-private samenwerking in R&D (Groeifonds en PPS-I)
Wij zijn zeer verheugd met het herinvesteren van het vrijgevallen budget binnen het Groeifonds in een vierde ronde van het Groeifonds, geconcentreerd op de strategische markten.
Ook werkt het kabinet aan een modernisering van de PPS-I regeling voor publiek-private samenwerking in onderzoek en innovatie. Voor het innovatieve bedrijfsleven (van startup tot grootbedrijf) is deze regeling belangrijk om private R&D-investeringen aan te jagen én sterke Nederlandse innovatie-ecosystemen te bouwen. Deze regeling is, samen met bijvoorbeeld de NWO-KIC-regeling en de nu helaas geschrapte Perspectiefregeling, belangrijk om de brug te vormen van zeer fundamenteel (laag TRL) onderzoek naar toegepast en industrieel onderzoek. De kracht zit immers in investeren over de hele TRL-ladder: van kennis- en technologieontwikkeling tot demonstratie, opschaling en toepassing, zodat goede ideeën daadwerkelijk kunnen uitgroeien tot economische waarde. Met alle terechte inzet op fundamentele kennis en valorisatie is het óók van belang te blijven investeren in de brug daartussen (het zogenaamde mid-TRL niveau, waarop veel publiek-private samenwerking plaatsvindt).
VNO-NCW en MKB-Nederland zien kansen voor meer focus met een nieuwe PPS-I regeling, maar ook een risico om te verliezen wat in 15 jaar publiek-private samenwerking is opgebouwd. De kracht van de huidige aanpak zit niet alleen in de subsidie, maar juist in de netwerken rond bedrijven en kennisinstellingen, de gezamenlijke programmering en het vermogen om nieuwe partijen bij die ecosystemen te betrekken.
VNO-NCW en MKB-Nederland vinden de volgende elementen van belang bij een nieuwe regeling:
- langjarig bouwen aan sterke R&D ecosystemen met een uitvoeringsorganisatie die daarvoor geëquipeerd is en waarin private partijen goed vertegenwoordigd zijn;
- langjarige programma’s rondom de Nationale technologiestrategie;
- daadwerkelijke inbreng van budget in de nieuwe PPS-I regeling door andere departementen;
- het nadrukkelijk verbinden van de nieuwe regeling voor publiek-private samenwerking aan het instrument dat daarvoor beschikbaar is bij NWO (NWO-KIC-regeling), ten behoeve van massa, focus en een sterke verbinding tussen fundamenteel, toegepast en industrieel onderzoek;
- behoud een laagdrempelige route voor het innovatieve mkb (inclusief mkb georganiseerd in producentenorganisaties).
We vragen de Tweede Kamer expliciet deze voorwaarden mee te geven aan de Minister van EZK bij het vormgeven van deze regeling.
Europees industriebeleid moet het hart zijn van de Nederlandse inspanningen – inzet op Europees budget en IPCEIs
Wij zijn groot voorstander van de Nederlandse inzet om de EU-begroting te moderniseren en deze meer te richten op concurrentiekracht, groeivermogen en economische weerbaarheid. De Europese context ís de Nederlandse context. Wij pleiten er dan ook voor dat dit het hart vormt van de Nederlandse inzet.
Het is daarom goed dat ook nu al concreet Europees industriebeleid wordt uitgerold, niet in de laatste plaats via de Important Projects of Common European Interest (IPCEI’s). Op dit moment zijn er hiervan negen in ontwikkeling en is Nederland betrokken bij zeven daarvan.[5] Voor de IPCEI AST was eerder al 230 mln. gereserveerd en we zijn gelukkig dat dit kabinet voor de begroting voor 2027 nu ook 120 mln. heeft vrijgemaakt voor AI en 200 mln. voor Innovative Nuclear Technologies. Tegelijkertijd ontbreken reserveringen voor de Biotech IPCEIs volledig.
Wij constateren dat reserveringen voor Nederlandse deelname aan de grootschalige IPCEI-programma’s iedere keer ad hoc, moeizaam en met relatief beperkte uitkomsten tot stand komen.
Wij verzoeken u het kabinet te vragen een strategie te ontwikkelen die stevige deelname van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen aan Europese industrie- en innovatieprogramma’s mogelijk maakt. Nederland kan het zich niet permitteren ambitieuze Europese programma’s mede vorm te geven, maar vervolgens onvoldoende middelen beschikbaar te hebben om Nederlandse bedrijven daadwerkelijk te laten deelnemen.
Agenda MKB Maakindustrie
Een succesvolle industrie- en innovatieagenda kan niet uitsluitend bestaan uit grote technologiebedrijven, sleuteltechnologieën en start- en scale-ups. Achter internationaal toonaangevende ondernemingen bevindt zich een omvangrijk netwerk van gespecialiseerde mkb-bedrijven van machinebouwers, metaalbedrijven, kunststofverwerkers, recyclingbedrijven, onderhoudsbedrijven, elektronica- en installatiebedrijven, engineeringbedrijven, gespecialiseerde producenten en digitale diensten. Daar zit een groot deel van het Nederlandse vakmanschap, productievermogen en praktische innovatiekracht.
Deze bedrijven zijn bovendien onmisbaar om innovaties op te schalen en nieuwe technologie breed toe te passen, en dragen daarmee bij aan sterke en weerbare waardeketens, economische veiligheid en het verdienvermogen in de regio.
Een Industrie- en innovatieagenda moet ook investeren in de toeleveringsketens. Daarom moet bij alle strategische domeinen expliciet worden gekeken naar de positie van het industriële mkb in de waardeketen. Niet alleen, welke nieuwe technologie willen we ontwikkelen? Maar ook, welke Nederlandse bedrijven kunnen deze technologie produceren, toepassen, onderhouden en opschalen?
Dat vraagt onder meer aandacht voor technologie-adoptie en digitalisering bij bestaande mkb-bedrijven, toegang tot financiering, deelname van mkb aan innovatieprogramma’s en publiek-private projecten, scholing en technisch talent en aansluiting van regionale industriële clusters op de nationale agenda.
VNO-NCW en MKB-Nederland vragen u het kabinet aan te sporen samen met het georganiseerd bedrijfsleven een agenda te ontwikkelen voor het versterken van de positie van het industriële mkb en daarin o.a. nadrukkelijk in te gaan op het belang van deze bedrijvigheid en op de toepassing van AI, digitalisering en robotisering in deze mkb-bedrijven.
4. MKB-Financiering
Maak vaart met de winwin-lening
De recente Kamerbrief stelt besluitvorming over een Nederlandse winwin-lening opnieuw uit. Besluitvorming wordt pas voorzien in het voorjaar van 2027, terwijl mogelijke invoering vervolgens pas in 2029 of 2030 wordt genoemd vanwege Belastingdienstcapaciteit en eventuele box 3-aanpassingen. Daarmee dreigt een relatief eenvoudige regeling voor kleinere mkb-financieringen opnieuw jaren vertraging op te lopen. Er is inmiddels voldoende kennis en praktijkervaring om een volgende stap te zetten. De Vlaamse winwin-lening laat zien dat particulier kapitaal kan worden gemobiliseerd voor kleinere ondernemingen.
We vragen de Tweede Kamer de Minister te vragen om uiterlijk bij de besluitvorming in het voorjaar van 2027 een concreet voorstel te ontwikkelen voor een Nederlandse winwin-lening. Daarbij moet ook worden onderzocht hoe de regeling sneller kan worden ingevoerd. Een invoeringsdatum in 2029 of 2030 ligt ver weg.
Zakelijke kredietregistratie (BKR)
Voor verantwoorde kredietverlening is het belangrijk dat financiers inzicht hebben in bestaande zakelijke kredieten. De huidige vrijwillige registratie en raadpleging van zakelijke kredieten bij BKR komt in de knel, omdat de Autoriteit Persoonsgegevens stelt dat voor de verwerking van deze persoonsgegevens een duidelijke wettelijke grondslag nodig is. Als financiers niet langer of slechts beperkt gebruik kunnen maken van BKR, dreigt de registratie minder volledig te worden en verslechtert hun informatiepositie. Dat kan leiden tot hogere beoordelingskosten en een groter risico op overkreditering.
De Kamer heeft het kabinet al gevraagd om samen met de Autoriteit Persoonsgegevens en relevante financiers een oplossing te verkennen voor toegang tot noodzakelijke kredietdata.
Wij vragen de Tweede Kamer aan de Minister te vragen wat die verkenning inmiddels heeft opgeleverd, welke oplossing het kabinet voor ogen heeft en op welke termijn die kan worden gerealiseerd.
5. Aanbesteden
Overheidsaanbestedingen
Recent publiceerde de Europese Commissie haar voorstel voor een herziening van de Europese aanbestedingsregels. Doelstelling van deze herziening is tweeërlei: enerzijds de vereenvoudiging, harmonisatie en vermindering van regeldruk en anderzijds de versterking van het instrument ‘overheidsinkoop’ voor het bereiken van strategische Europese doelstellingen, zoals economische weerbaarheid, strategische autonomie, duurzaamheid en sociale gelijkheid.
VNO-NCW en MKB-Nederland constateren dat het zwaartepunt van de herziening met name zit richting de strategische doelstellingen. Het voorstel van de commissie is zeer ingrijpend en veelomvattend en zal veel vragen van inkopers, overheden en bedrijven. Het bevat nog veel onduidelijkheden waarover in het komende jaar nader moeten worden onderhandeld.
VNO-NCW en MKB-Nederland vragen de Tweede Kamer aan de Minister te vragen erop toe te zien dat vereenvoudiging, harmonisatie en vermindering van regeldruk daadwerkelijk worden gerealiseerd en niet ondersneeuwen in nieuwe verplichtingen en complexe procedures die gepaard gaan met strategische inkoop. De verordening moet primair het proces, het ‘hoe’ van de inkoop, regelen. De beginselen van gelijke behandeling, transparantie en vooral proportionaliteit moeten leidend blijven en toegang van het mkb tot overheidsopdrachten moet worden bewaakt.
Ook op nationaal niveau behoeft het onderwerp aandacht. Het aantal inschrijvingen per overheidsopdracht neemt al jaren gestaag af. Redenen zijn onder andere complexiteit en regeldruk, een stapeling van eisen en wensen, een onevenwichtige verdeling van risico’s en aansprakelijkheden en de ongelijke verhouding tussen overheid en ondernemer. Deze afname van interesse van bedrijven en daarmee marktwerking, heeft uiteindelijk negatieve effecten voor de overheid en maatschappij.
In deze context wijzen VNO-NCW en MKB-Nederland op het belang van de versterking van de positie van bedrijven, in het bijzonder mkb, door verplichte invoering van een onafhankelijk klachtenloket, een effectieve klachtenprocedure met duidelijke termijnen en opschorting waar dat nodig is en een verbetering van de gang naar de rechter. Een centrale aanbestedingsautoriteit kan bijdragen aan snelle geschiloplossing, kennisopbouw en een meer consistente toepassing van de regels.
Blijvende aandacht voor het beperken van regeldruk en complexiteit en het bewaken van de toegang voor het mkb is essentieel. Een recent voorbeeld waarbij dit niet is gebeurd, is het stelsel van Algemene Beveiligingseisen Rijksopdrachten (ABRO).
Verlicht de regeldruk rondom de invoering van ABRO
VNO-NCW en MKB-Nederland wijzen erop de invoering van ABRO een volgende stevige drempel wordt. Ondernemers worden geconfronteerd met honderden aanvullende beveiligingseisen, opdrachtgebonden screenings, hoge nalevingskosten en langdurige procedures. Tegelijkertijd worden bestaande Europese certificeringen en risicobeoordelingen onvoldoende benut. Hierdoor nemen regeldruk, kosten en vertragingen onnodig toe en dreigt met name het mkb af te haken bij overheidsaanbestedingen. Veiligheid vraagt om een risicogerichte en proportionele aanpak, niet om een nieuw nationaal systeem van hoog opeenstapelende verplichtingen.
We vragen de Tweede Kamer of de Minister de volgende aspecten kan toezeggen:
- De gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid en de positie van het mkb vooraf expliciet te toetsen en de ABRO daarop zo nodig aan te passen;
- Bestaande Europese certificeringen, audits en screenings maximaal te erkennen, zodat ondernemers niet steeds opnieuw dezelfde informatie hoeven aan te leveren;
- Kosteloze vrijwillig voorscreening mogelijk te maken;
- Een positieve screening gedurende een redelijke periode herbruikbaar te maken, zodat onnodige herhaling en vertraging van aanbestedingen worden voorkomen.
6. Ruimte als randvoorwaarde voor groei
Voldoende fysieke ruimte en milieuruimte is een essentiële randvoorwaarde voor economische groei en toekomstig verdienvermogen. Juist daar loopt Nederland steeds harder tegen grenzen aan. In het Nationaal Programma Ruimte voor Economie werd al duidelijk dat in 6 van de 12 provincies de beschikbare ruimte voor bedrijven richting 2030 vrijwel is uitgeput en in 9 van de 12 tegen 2040. Dit terwijl richting 2050 naar verwachting circa 9.500 hectare extra ruimte voor reguliere bedrijventerreinen nodig is. Ook verduurzaming en de omslag naar een circulaire economie vragen extra ruimte. In vier van de vijf nationale industrieclusters dreigt richting 2050 bovendien een gezamenlijk tekort van circa 1.355 hectare. Zonder voldoende ruimte kunnen bedrijven niet uitbreiden, verduurzamen of investeren en komen nieuwe economische activiteiten onvoldoende van de grond.
Het is daarom positief dat het kabinet samen met provincies, gemeenten en bedrijfsleven werkt aan de Uitvoeringsagenda Ruimte voor Economie. Een belangrijke stap is ook de inzet om het aandeel ruimte voor economie te laten groeien van circa 2,8% nu naar indicatief 3,5% in 2050. Daarmee wordt op nationaal niveau concreet gemaakt hoeveel ruimte de economie richting 2050 naar verwachting nodig heeft.
Het is nu belangrijk deze ambitie stevig te borgen in de definitieve Nota Ruimte en eind dit jaar tot concrete Uitvoeringsafspraken te komen. Wat ons betreft bevatten die in ieder geval afspraken over:
- Het beschermen en beter benutten van bestaande bedrijventerreinen en economische locaties;
- Tijdige en volwaardige compensatie wanneer bedrijventerreinen worden getransformeerd;
- Regionale programmering én versnelde realisatie van voldoende nieuwe ruimte voor bedrijventerreinen en industrie, met een helder tijdpad;
- Monitoring van de ruimtebehoefte en realisatie, zodat tijdig kan worden bijgestuurd wanneer tekorten verder oplopen.
Wij vragen de Tweede Kamer de Minister te vragen deze punten in de Uitvoeringsafspraken te borgen en bij de begrotingsbehandeling duidelijk te maken hoe en wanneer deze afspraken tot concrete resultaten in de regio’s leiden.
7. Grensregio’s
Ondernemers in zowel grensgemeenten als de bredere grensregio’s constateren een duidelijke toename van grensoverschrijdend winkelen ten opzichte van drie jaar geleden. Dat blijkt uit onderzoek van Kieskompas en Panteia in opdracht van MKB-Nederland, VNO-NCW en betrokken brancheorganisaties onder ruim 750 ondernemers en 2.500 consumenten. Langs onze ruim 1000 kilometer lange grens met Duitsland en België kampen vele honderden ondernemers met ongelijke concurrentie. Door hoge indirecte belastingen zoals accijnzen, btw en Verbruiksbelasting en door specifiek Nederlands beleid zien zij de consument de grens oversteken voor de dagelijkse boodschappen en een volle tank. De continuïteit van deze ondernemingen loopt daarmee gevaar. Sluiting van winkels is een persoonlijk drama voor ondernemers maar tast ook de leefbaarheid, sociale cohesie en werkgelegenheid in de brede grensregio’s aan. Het raakt alle mensen die er wonen. Als de laatste winkel in een dorp sluit dan verdwijnt daarmee ook vaak de geldautomaat, de plaats waar mensen hun pakketten ophalen én de plaats waar mensen elkaar ontmoeten. De aanwezigheid van (levensmiddelen) winkels, horeca en een benzinepomp is van groot belang voor de leefbaarheid zodat mensen in hun dorp blijven wonen. Maar het is ook essentieel voor een aantrekkelijk woonklimaat dat zorgt voor nieuwe inwoners en daardoor behoud van scholen, kinderopvang en andere (maatschappelijke) voorzieningen.
Toets op grenseffecten
Hoewel een toets op grenseffecten onderdeel is van het Beleidskompas, schrijft de leidraad niet voor dat expliciet het cumulatieve effect van opeenvolgende belasting- en accijnsverhogingen wordt beoordeeld. Daardoor blijft vaak buiten beeld wat een nieuwe prijsverhoging betekent boven op de al bestaande prijsverschillen met België en Duitsland. Sterker, er wordt in die vragenlijst niet gevraagd naar effect op het winkelgedrag van consumenten. In een grenseffecten-onderzoek naar verhoging alcoholaccijns uit 2023 – wel gericht op consumenten – is alleen de afzonderlijke maatregel onderzocht, niet het cumulatieve effect (conclusie: verwaarloosbaar grenseffect). Op deze manier worden de gevolgen van oplopende prijsverschillen met buurlanden nooit goed in beeld gebracht.
We vragen de Tweede Kamer aan de Minister de grenseffectentoets aan te passen en het cumulatieve effect hierin mee te nemen.
8. Uniform kader voor kleine evenementen
Zowel horecaondernemers als vrijwilligersorganisaties ervaren dat de regeldruk rond kleine evenementen sterk is toegenomen. Gemeenten en veiligheidsinstanties vragen steeds meer informatie en stellen steeds zwaardere eisen aan vergunningen, EHBO, verkeersmaatregelen, veiligheid en afvalbeheer. Daardoor dreigen dorpsfeesten en lokale festivals, die grotendeels door vrijwilligers worden georganiseerd, onnodig complex en kostbaar te worden of helemaal te verdwijnen.
De informatie die organisatoren nodig hebben, verschilt per gemeente. Het Nederlands Handboek Evenementen Veiligheid bevat waardevolle informatie, maar is voor kleine organisatoren moeilijk toegankelijk. Ook horecaondernemers lopen tegen dezelfde problematiek aan. Zo moeten jaarlijks terugkerende evenementen vaak opnieuw de volledige papiermolen doorlopen, terwijl de risico’s en omstandigheden nauwelijks zijn veranderd.
Wij pleiten daarom voor een uniform en begrijpelijk landelijk kader voor kleine evenementen. Wij vragen het ministerie van Economische Zaken om dit samen met de VNG en de Vereniging van Evenementen Makers op te stellen, met duidelijke categorieën, proportionele eisen, één herkenbaar aanvraagproces en praktische checklists.[6]
9. Modernisering Wet BIZ
Bedrijveninvesteringszones stellen ondernemers en vastgoedeigenaren in staat gezamenlijk te investeren in een aantrekkelijk, veilig, bereikbaar en toekomstbestendig gebied. De huidige Wet BIZ werpt daarbij echter onnodige praktische en administratieve drempels op. Mede op aandringen van VNO-NCW en MKB-Nederland en op basis van signalen uit de regio heeft de minister aangekondigd te onderzoeken of de maximale looptijd van een BIZ kan worden verlengd van vijf naar tien jaar en of een ongewijzigde BIZ eenvoudiger kan worden voortgezet zonder opnieuw de volledige draagvlakprocedure te doorlopen.
Wij steunen deze voorstellen. Daarnaast is ruimte nodig voor vooraf afgesproken indexering van de BIZ-bijdrage, een betrouwbare digitale draagvlakmeting, betere gegevensverstrekking en een duidelijker en meer uniforme uitvoering door gemeenten. Daarbij moet de zeggenschap van ondernemers behouden blijven. Een BIZ is een instrument van, voor en door ondernemers en mag niet worden gebruikt om reguliere overheidstaken te financieren.
Wij vragen de Tweede Kamer om de Minister te vragen de modernisering van de Wet BIZ nu voortvarend uit te werken en hiervoor een concrete planning te presenteren. Daarbij vragen wij ook aandacht voor de btw-problemen waarmee BIZ’en en ondernemersfondsen in de praktijk kunnen worden geconfronteerd. Wij roepen EZK op dit knelpunt samen met het ministerie van Financiën en betrokken partijen nader te onderzoeken en te werken aan een structurele, uitvoerbare oplossing.
[1] Bron SRA (2025) en CBS
[2] Prinsjesdagpeiling VNO-NCW en MKB-Nederland, 2026.
[3] Position Paper Rapport Wennink – Industrie- en Innovatiebeleid vraagt om samenhang, regie en investeringskracht
[4] Draghi Observatory & Implementation Index – EPIC
[5] Advanced semiconductor technologies, AI, Compute Infrastructure Continuum, Circular Advanced materials for clean technologies, Innovative nuclear technologies, Biobased Chemicals, Biobased Materials, Biotech for food and feed, Critical raw Materials
[6] Daarbij kunnen bestaande best practices worden benut, zoals in Amsterdam, waar voor evenementen met minder dan 200 bezoekers alleen een meldplicht geldt. Een dergelijk kader voorkomt dat iedere gemeente het wiel opnieuw uitvindt en vermindert de lasten voor ondernemers en vrijwilligers en biedt tegelijk voldoende ruimte om veiligheid en openbare orde goed te borgen.
VNO-NCW en MKB-Nederland
Reineke Timmermans: rtimmermans@vnoncw-mkb.nl
Ramona van den Bosch: bosch@vnoncw-mkb.nl