28 AUG, 2026

Reactie VNO-NCW en MKB-Nederland op internetconsultatie ten aanzien het uitzendverbod in de vleesketen

Het debat over arbeidsmigratie wordt voor het overgrote deel gekleurd door de uitwassen, de excessen met arbeids­- en leefomstandigheden en uitbuiting. Dat ontneemt het zicht op waar het wel goed gaat. Misstanden zijn er ontegenzeggelijk, onder meer veroorzaakt door malafide bureaus die van de uitbuiting van arbeidsmigranten een ‘verdienmodel’ hebben gemaakt en de kosten daarvan afwentelen op de samenleving. Malafide bedrijven en dubieuze bedrijfsmodellen moeten we keihard aanpakken. Voor dat soort bedrijven is in onze ogen in Nederland geen plek; omdat goed werkgeverschap gewoon zo hoort, en omdat we ook de concurrentie in eigen land eerlijk willen houden.

Waar het goed werkgeverschap betreft, moeten we eerst en vooral naar onszelf kijken. Die verantwoordelijkheid hebben ondernemers tegenover alle medewerkers, maar voor arbeidsmigranten reikt die verder. Het gaat om mensen die in een vreemd land komen werken, vaak tijdelijk, die de taal doorgaans niet spreken en onderdak en toegang tot zorg nodig hebben. Het is een verantwoordelijkheid die werkgevers niet kunnen afschuiven; het is inherent aan het werken met arbeidsmigranten. Niet voor niets hebben wij ons gecommitteerd aan het SER-advies arbeidsmigratie[1], het WIN-convenant[2] en hebben wij een handreiking voor werkgevers opgesteld met normen en maatregelen voor het op goede wijze werken met arbeidsmigranten.[3]

VNO-NCW en MKB-Nederland staan dan ook volledig achter beleid om misstanden effectief en doelmatig aan te pakken. Wij zijn echter principieel tegen het voorliggende voorstel en zetten grote vraagtekens bij de mate waarin dit kan bijdragen om de positie van uitzendkrachten/arbeidsmigranten te verbeteren. Een uitzendverbod is zeer onrechtvaardig en disproportioneel voor goedwillende bedrijven en is beperkt effectief terwijl andere regelgeving die hieraan moet bijdragen buitenspel wordt gezet.

Wij geloven in high trust, high penalty. Geef bedrijven vertrouwen en ruimte om de goede dingen te doen en grijp tegelijkertijd hard in bij bedrijven die bewust buiten de lijntjes kleuren. Een uitzendverbod inzetten voor een brede groep bedrijven om misstanden bij malafide bedrijven aan te pakken, past niet bij een economie en samenleving die uitgaat van high trust, high penalty. VNO-NCW en MKB-Nederland zijn daarom ten principale tegen een algeheel sectorverbod omdat goedwillende ondernemers de dupe zijn van ondernemers die zich schuldig maken aan misstanden.

De ondernemersorganisaties verzoeken daarom primair om:

  • Het sectoraal in- en uitleenverbod niet in te voeren.
  • Vertrouwen te hebben in de WTTA om misstanden tegen te gaan en deze eerst goed in werking te laten treden.
  • Daarbij conform het SER-advies arbeidsmigratie te investeren in goed toezicht en handhaving en waar nodig het bestaande instrumentarium aan te vullen met een individueel in- en uitleenverbod.

Mocht de overheid onverhoopt toch overgaan tot een uitzendverbod, zijn er bij het voorliggende voorstel bezwaren bij de gekozen afbakening voor dit uitzendverbod. Het kan niet zo zijn dat bedrijven die zonder noemenswaardige incidenten met vlees werken, buiten hun schuld worden geraakt. Laat staan dat een bakker of voedingsmiddelenbedrijf dat slechts seizoensmatig en op bescheiden schaal vlees verwerkt geen uitzendkrachten meer mag inhuren omdat zich elders in de keten misstanden voordoen. Dat strekt veel te ver. 

De ondernemersorganisaties verzoeken secundair om:

  • Indien toch wordt overgegaan tot een sectoraal uitzendverbod, de afbakening te beperken tot de bedrijven in (deel)sectoren binnen de vleessector waar 1) in de afgelopen jaren intensieve gesprekken mee gevoerd zijn, 2) waar misstanden per deelsector zijn aangetoond en daadwerkelijk wijdverspreid en stelselmatig voorkomen en 3) dit per deelsector te onderbouwen.
  • Bij de vormgeving van de uitzondering voor het MKB naar de inbreng van betrokken branches te kijken of deze werkbaar is en of aanvullend een uitzondering kan worden gemaakt voor piek- en ziek.

Hieronder gaan we eerst in op het punt dat het sectoraal in- en uitleenverbod geen geschikt middel is. Daarna reageren we op de door de regering gekozen afbakening. Tot slot hebben wij nog enkele opmerkingen.

  • Het sectoraal in- en uitleenverbod is geen effectief middel

VNO-NCW en MKB-Nederland delen de doelen van het voorliggende in- en uitleenverbod. Namelijk 1) het verbeteren van de positie van ter beschikking gestelde arbeidskrachten, in het bijzonder die van arbeidsmigranten, en 2) het waarborgen van een gelijk speelveld voor alle ondernemingen in de vleesketen. Hiermee moeten de volgende doelen worden bereikt:

  • Het aantal overtredingen van arbeidswetten terugloopt in de sector.
  • De misstanden met betrekking tot het gebrek aan transparantie en verantwoordelijkheid afnemen in de sector.
  • Het aantal (ernstige) ongelukken afneemt in de sector,
  • Werkenden in de sector beter beschermd worden bij ziekte of uitval.

VNO-NCW en MKB-Nederland hebben echter ernstige twijfels of dit instrument het effectieve middel is om deze doelen te bereiken.

Oplossen met goede uitvoering en strikte handhaving van de WTTA

Voor het tegengaan van misstanden, zeker in de sfeer van arbeidsvoorwaarden, is met de WTTA inmiddels een ingrijpend maar beter en naar onze verwachting meer effectief stelsel in het leven geroepen. Deze wet, die op 1 januari 2027 van kracht is en waarop vanaf 2028 ook gehandhaafd wordt, heeft met een breed normenkader, inspectie instellingen en de uitbreiding van de NLA-capaciteit, namelijk alles in zich om doelmatig en proportioneel te kunnen zorgen dat misstanden kunnen worden voorkomen of kunnen worden aangepakt. Zo wordt voor de vereiste toelating onder meer geïnspecteerd op het betalen van minimumloon en vakantiebijslag, op juiste arbeidsvoorwaarden, geen onterechte inhoudingen, administreren van de identiteitsgegevens en het aan de uitzendwerker verstrekken van informatie over de arbeidsovereenkomst. Daarmee kunnen toegelaten bonafide uitzendondernemingen onderdeel zijn van de oplossing om de positie van uitzendkrachten te verbeteren.

De regering geeft zelf ook aan dat zij verwacht dat de WTTA een aanzienlijke bijdrage zal leveren aan de bestrijding van misstanden. Tegelijkertijd geeft zij aan dat de WTTA niet snel genoeg tot oplossingen zal leiden en dat het daarnaast veel vraagt van de toezichtscapaciteit. Ook geeft de regering aan dat aanvullende normen mogelijk nodig zijn en dat de inlener de uitlener onder druk kan zetten en vervolgens kan overstappen.

VNO-NCW en MKB-Nederland delen de genoemde argumenten niet. In de eerste plaats omdat de WTTA al in 2027 gaat gelden voor in- en uitleners en daarmee ook ruim een jaar eerder dan het uitzendverbod van toepassing is. Daarmee ontstaat een stelsel waarin inspectie op onder meer de arbeidswetten plaatsvindt en waarin de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) kan besluiten over toelating en de NLA kan handhaven. Daarbij gaan de normen waarop de WTTA ziet en waar de inspectie op gaat controleren over misstanden die ten grondslag liggen aan het uitzendverbod, namelijk arbeidsvoorwaarden, het correct uitbetalen van loon en huisvesting. Door het uitzendverbod maakt de regering het onmogelijk om daar met het toelatingsstelsel adequaat op toe te zien.

Het kunnen benutten van de WTTA is tevens belangrijk omdat externe partijen met het uitzendverbod niet volledig verdwijnen. Arbeidsmigranten en werkgevers zullen voor werving en selectie, huisvesting en vervoer voor een groot deel afhankelijk blijven van externe partijen. Daardoor blijft sprake van een verantwoordelijkheidsverdeling tussen werkgever, externe partijen en de arbeidsmigranten op een deel van de gebieden waarop de misstanden waarop de regering het verbod rechtvaardigt, voorkomen. Dit knelt omdat het uitzendverbod het stelsel van de WTTA buiten spel zet, waardoor de WTTA niet ingezet kan worden voor de verbetering van de positie van de arbeidsmigrant. Ook kunnen bonafide uitzendbedrijven dan geen onderdeel meer zijn van de oplossing om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Juist omdat een deel van de geconstateerde misstanden betrekking heeft op huisvesting, vervoer en de daarmee samenhangende afhankelijkheidsrelaties, vragen VNO-NCW en MKB-Nederland de regering toe te lichten hoe het toezicht op deze dienstverlening na invoering van het verbod wordt geborgd.

Voor het verbeteren van arbeidsomstandigheden is het verbod beperkt effectief

Arbeidsomstandigheden en de verantwoordelijkheid voor arbeidsomstandigheden verschillen niet vanzelfsprekend tussen directe werknemers en uitzendkrachten. Daarbij is uitzendwerk een van de beter gereguleerde vormen van arbeid, zeker met de introductie van de WTTA. Een uitzendverbod verbetert de arbeidsomstandigheden niet direct, zeker niet als de behoefte aan flexibele arbeid op andere, minder goed gereguleerde wijze wordt ingevuld. In dat geval zijn uitzendkrachten/ arbeidsmigranten door dit verbod niet geholpen maar verder van huis omdat malafide bedrijven misbruik maken van andere vormen van arbeid. Sectorplannen van sociale partners om arbeidsomstandigheden te verbeteren, toezicht en handhaving zijn daarom betere – en zelfs met het uitzendverbod nog altijd nodige – instrumenten om misstanden tegen te gaan.

Dat is in overeenstemming met de conclusie van SEO die in haar impact analyse aangeeft dat het werk in de vleessector kan worden aangemerkt als zwaar, intensief en repetitief en dat arbeidsomstandigheden op de werkvloer niet of nauwelijks verschillen tussen arbeidsmigranten en niet-arbeidsmigranten, of tussen uitzendkrachten en niet-uitzendkrachten. Op basis daarvan is het hun verwachting dat een in- en uitleenverbod niet direct leidt tot een verbetering van arbeidsomstandigheden voor werkenden in de sector. Indirect kan dat volgens SEO wel het geval zijn wanneer door een in- en uitleenverbod de grootste groep uitzendkrachten in directe dienst komt van de inlener. Maar dat is alleen het geval indien dat ook betekent dat een werkgever meer zal investeren in het voorkomen van ziekteverzuim en het optimaliseren van de productiviteit via betere arbeidsomstandigheden. Afspraken met de sector over verbetering en effectief en proportioneel toezicht en handhaving blijven in de toekomst dan ook noodzakelijk.

Gebrek aan handhavingscapaciteit geen argument voor het uitzendverbod

VNO-NCW en MKB-Nederland delen met de regering dat uitbreiding van inspectie instellingen doelmatig en proportioneel moet zijn. Wij denken dat dit, ongeacht het gekozen middel om misstanden tegen te gaan, sowieso noodzakelijk is. Een verbod neemt de behoefte aan flexibele arbeid en ondersteunende dienstverlening namelijk niet weg. De impactanalyse verwacht dat werkgevers die behoefte deels via andere contractvormen zullen invullen en ervaringen uit Duitsland laten zien dat voormalige uitzendbureaus actief blijven in recruitment, huisvesting en vervoer. De regering geeft ook aan dat zij verwacht dat de internationale concurrentie op de vleesmarkt zorgt dat sprake blijft van misstanden ondanks het opleggen van sancties. Onduidelijk wordt waarom het inzetten van het uitzendverbod in de vleessector volgens de regering dan wel effectief is, omdat ook in die situatie sprake van niet-naleving zou kunnen zijn of kan worden uitgeweken naar andere minder goed gereguleerde vormen van arbeid en dienstverlening. De regering moet daarom niet alleen toezien of uitzendarbeid afneemt, maar ook toezien of misstanden daadwerkelijk afnemen of zich deels verplaatsen naar andere arbeids- en dienstverleningsconstructies. Daarvoor is ook bij een sectoraal in- en uitleenverbod voldoende toezichts- en handhavingscapaciteit noodzakelijk en daarmee geen argument om dit middel te rechtvaardigen.

Hetzelfde geldt voor het argument ten aanzien van de inlenersverantwoordelijkheid. Ook hier wordt niet duidelijk waarom de regering, bij een extreem negatief sectorbeeld dat wij geen recht vinden doen aan de vele goedwillende bedrijven, denkt dat een uitzendverbod bij malafide bedrijven wel effectief is. Ook dan zal namelijk van afdoende toezichts- en handhavingscapaciteit sprake moeten zijn.

Dat handhaving bemoeilijkt kan worden door driehoeksrelaties erkennen wij, maar juist de WTTA biedt daarvoor mogelijkheden. En dat de rechtsbescherming zoals de regering stelt intensief is betekent nog niet dat het middelen rechtvaardigt die de gepaste zorgvuldigheid en rechtsbescherming achterwege laat. VNO-NCW en MKB-Nederland begrijpen dat de toezicht en handhavingslast voor de NLA fors kan zijn. Tegelijkertijd is dit ook zo ingericht omdat de maatregelen waarmee de NLA kan ingrijpen, ingrijpend zijn waardoor de mogelijkheid om zienswijze, bezwaar en beroep in te dienen past bij onze rechtstaat en ook voortkomt uit het Europees recht. De ondernemersorganisaties zijn dan ook van mening dat door de regering in het toezichtstelsel ervaren knelpunten waar proportioneel in dit stelsel moeten worden opgelost en niet als argument moet worden gebruikt om een uitzendverbod te rechtvaardigen.

Alternatief instrument als stok achter de deur
VNO-NCW en MKB-Nederland zien een individueel in- en uitleenverbod als aanvulling op de WTTA als geschikter middel om in te grijpen waar misstanden zich voordoen en indien de inzet van dit middel in het individuele geval proportioneel wordt bevonden. Dat kan werken als sluitstuk op de WTTA in plaats van de WTTA buiten spel te zetten met een sectorverbod.

  • De gekozen afbakening

Naast het feit dat VNO-NCW en MKB-Nederland nadrukkelijk tegen een sectoraal uitzendverbod zijn, vinden we de brede afbakening niet uitlegbaar. Wij zijn geschrokken van de breedte van het uitzendverbod. Bekend is dat afgelopen jaren met de slachtsector is gesproken over misstanden en het tegengaan ervan. Pas recenter werd bekend dat voor het verbod binnen de vleessector ook naar de bredere keten aan bedrijven werd gekeken met naast de slacht ook de vleesverwerking, vervaardiging van producten met vlees, koel/vries en opslag die ook een NVWA-erkenning hebben voor vlees.

Uit de Nota van Toelichting en de onderliggende rapporten wordt evenwel niet goed duidelijk waar en in welke omvang in de verschillende deelsectoren sprake is van misstanden. VNO-NCW en MKB-Nederland lezen dat volgens de regering vanaf 2011 misstanden in de vleesketen zijn geconstateerd en dat hiervan wijdverspreid en stelselmatig sprake is. Vooropgesteld vinden wij de genoemde misstanden Nederland onwaardig en dus onaanvaardbaar. Het is teleurstellend dat het in vijftien jaar niet gelukt is om misstanden uit te bannen. Niet voor niets zijn wij gecommitteerd aan het terugdringen van misstanden bij de inzet van arbeidsmigranten. De onderliggende stukken laten bredere problematiek zien, maar bieden echter geen één-op-één onderbouwing voor de gekozen reikwijdte van het verbod. Zo benadrukt de Arbeidsinspectie zelf dat haar rapportage een risicogericht toezichts- en opsporingsbeeld geeft en geen representatief sectorbeeld. Daarmee is niet duidelijk of de aard en omvang van de problematiek bij alle ondernemingen die door de gekozen afbakening onder het verbod vallen, zodanig is dat ook daar een generiek sectorverbod noodzakelijk is. 

VNO-NCW en MKB-Nederland vragen de regering naar deze onderliggende informatie met oog op de gekozen afbakening in het verbod. Zij vragen een nadere toelichting door een uitsplitsing te maken naar de bedrijven die primair slachten en uitbenen, koelen, vriezen en opslaan, verwerken of producten met vlees vervaardigen. Deze uitsplitsing is nodig om te kunnen beoordelen of de reikwijdte van het verbod aansluit bij de delen van de keten waarvoor wijdverspreide en stelselmatige misstanden daadwerkelijk zijn onderbouwd. Zonder dergelijke onderbouwing kan noodzakelijkheid en proportionaliteit niet worden aangetoond, Ook vragen de ondernemersorganisaties daarbij naar de reden om met name met de slachterijen te spreken over de benodigde verbetering.

Reikwijdte in- en uitleenverbod

De regering geeft aan dat zij voor de reikwijdte van het verbod heeft gekozen om aan te sluiten bij de NVWA-erkenningen voor het verrichten van handelingen met vlees. Deze keuze komt onder meer voort uit het feit dat de regering SBI-codes niet geschikt acht. VNO-NCW en MKB-Nederland wijzen erop dat de NVWA-erkenningen daarvoor niet bedoeld zijn en als gevolg van deze keuze veel meer bedrijven onder het verbod komen te vallen.

Naar ons bekend is niet met alle (deel)sectoren vallend onder de voorgestelde afbakening gesproken over eventueel geconstateerde misstanden. Zij hebben dus evenmin gelegenheid gekregen om – waar nodig – verbetermaatregelen te nemen. Wij vragen de regering te verduidelijken met welke (deel)sectoren met welke erkenningen gesprekken zijn gevoerd, vanaf welk moment en welke als gevolg van de afbakening ook onder het verbod komen te vallen.

Wij blijven van mening dat alleen bedrijven die aantoonbaar ernstige of herhaalde misstanden hebben gepleegd mogen worden geconfronteerd met een in- en uitleenverbod. Door de keuze voor de NVWA-erkenningen komen ook bedrijven die deze erkenning hebben voor beperkte bedrijfsactiviteiten ten opzichte van hun hoofdactiviteit, onder het verbod te vallen. VNO-NCW en MKB-Nederland zijn van mening dat dat nooit de bedoeling kan zijn van dit verbod. Heeft de regering overwogen om bij de vormgeving te kijken of de bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk bestaan uit de werkzaamheden waarvoor de NVWA-erkenning is verkregen? En zo nee, is de regering bereid dit alsnog te doen?

Uitzonderingen

VNO-NCW en MKB-Nederland zijn positief dat de regering de maatregel – indien deze wordt doorgezet – verzacht voor het mkb door bedrijven met 20 werkzame personen uit te zonderen. Wel vragen wij waarom niet gekozen is dit minimaal gelijk te trekken met Duitsland en het verbod in te laten gaan vanaf 50 personen, ook met oog op het gelijke speelveld. De ondernemersorganisaties vragen of daarbij in ieder geval uitgegaan kan worden van fte in plaats van personen. Daarbij vragen wij nadrukkelijk ook om aandacht te houden voor signalen van branches in de internetconsultatie over de werkbaarheid van het aantal van 20 fte. Een wat grotere ambachtelijke slagerij of industriële bakkerij bijvoorbeeld zit – zeker met partimekrachten meegerekend – al snel op 20. Ook doen wij de suggestie om tenminste uit te gaan van het aantal werkzame personen per bedrijfslocatie om ervoor te zorgen dat meerdere vestigingen binnen een concern gebruik kunnen maken van de uitzondering. Hiermee kunnen negatieve effecten op bijvoorbeeld de retail- en voedingsmiddelenbedrijven die uitzendwerk met name inzetten voor piek- en ziek, beperkt blijven.

Tot slot vragen wij of de regering bereid is om het uitzendverbod in de vleessector zo vorm te geven dat ondernemingen die in beperkte mate werken met uitzendkrachten, bijvoorbeeld voor seizoenswerk of piek en ziek, van het verbod uit te zonderen. De regering motiveert de uitzondering voor kleine bedrijven vanuit de constatering dat de inzet van ter beschikking gestelde arbeidskrachten daar vaak incidenteel en beperkt is en het risico op overtredingen daardoor laag wordt geacht. Diezelfde redenering kan ook relevant zijn voor ondernemingen die aantoonbaar slechts beperkt dan wel seizoensmatig gebruikmaken van uitzendkrachten. Hiermee zou het werken met uitzendkrachten in piek en ziek mogelijk blijven en de ondernemersorganisaties zien dat als een wezenlijke uitzondering om het verbod meer proportioneel te maken.

  • Overige opmerkingen:

Verhouding hoger recht

Een sectoraal uitzendverbod beperkt het vrije verkeer van diensten en sluit voor een gehele sector een legale arbeidsvorm uit. Dat vereist een overtuigende onderbouwing van de noodzaak van de maatregel en een duidelijke motivering waarom minder vergaande alternatieven niet volstaan De regering geeft aan dat zij het verbod geschikt en evenredig vindt met oog op het tegengaan van misstanden in de vleessector. VNO-NCW en MKB-Nederland zetten nadrukkelijk vraagtekens bij dit standpunt zoals gemotiveerd in deze reactie.

Voor het tegengaan van misstanden waar het gaat om arbeidsvoorwaarden denken de werkgevers dat veel te verwachten is van de WTTA die in 2027 in werking treedt. De aanvullende waarde van het uitzendverbod is daarbij beperkt en kan mogelijk zelfs negatief uitwerken omdat het toelatingsstelsel niet meer van toepassing is als niet meer kan worden gewerkt met uitzendkrachten. Ook bij de evenredigheid zijn daardoor vraagtekens te plaatsen. De meerwaarde van het in- en uitleenverbod ten opzichte van de inzet van de WTTA is beperkt en controle op naleving van het uitzendverbod is alsnog afhankelijk van de inspectiecapaciteit van de NLA. De ondernemersorganisaties zijn daarom van mening dat het beter en meer proportioneel is om in te zetten op goed toezicht en handhaving, mede op basis van de WTTA. Waar nodig kan het instrumentarium nog worden aangevuld met een individueel in- en uitleenverbod waarmee sprake zou zijn van proportionaliteit

Het voorliggende verbod is daarmee in de ogen van de ondernemersorganisaties juridisch kwetsbaar in het licht van de Europeesrechtelijke eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit.

Overgangstermijn en overgangsrecht

VNO-NCW en MKB-Nederland lezen in de AMvB dat het besluit in werking treedt op 1 maart 2028 en dat bij ter beschikking stelling die reeds plaatsvond het besluit niet geldt tot 1 juni 2028. In de toelichting komen deze data niet als zodanig terug en wij vragen daarom deze data ook in de toelichting te expliciteren.

Monitoring

De regering geeft aan dat het verbod na vier jaar zal worden geëvalueerd om te zien of het aantal misstanden sterk is gereduceerd. Dan zal er ook worden bezien of er een tijdpad mogelijk is om de maatregel af te schaffen. Dat zou moeten betekenen dat de keten dan zelf in staat is om de misstanden structureel te laten stoppen.

Indien het verbod wordt ingevoerd, achten wij het van belang dat vooraf duidelijk wordt vastgelegd op welke criteria na vier jaar wordt beoordeeld of de misstanden sterk gereduceerd zijn en of het verbod kan worden afgeschaft. Ook moet duidelijk worden gemaakt wat het betekent dat de keten dan zelf in staat moet zijn om misstanden structureel te laten stoppen. Verder achten wij het noodzakelijk om dit ingrijpende middel zelf te evalueren, om de effectiviteit ervan te kunnen beoordelen.

Tot slot:

In deze consultatie hebben wij onze zorgen uitgebreid voor het voetlicht gebracht. De ondernemersorganisaties zijn principieel tegen het uitzendverbod en achten deze disproportioneel en niet effectief. Wij vragen in plaats daarvan om effectieve uitvoering en handhaving van de WTTA, voldoende toezichts- en handhavingscapaciteit en, waar een aanvullende interventie noodzakelijk is, de mogelijkheid van een individueel in- en uitleenverbod. Wij blijven van mening dat alleen bedrijven die aantoonbaar misstanden hebben gepleegd mogen worden geconfronteerd met een in- en uitleenverbod.

Wij zijn desalniettemin blij met de aangenomen motie Flach die oproept het verbod zo risicogericht mogelijk vorm te geven, ook omdat misstanden zich niet in gelijke mate in dezelfde deelsectoren en bedrijven voordoen en rekenen erop dat de regering hier in ieder geval opvolging aan geeft.[4] De aankondiging van de minister dat hij goed zal kijken naar reacties uit de internetconsultatie zien de ondernemersorganisaties als signaal dat de bereidheid bestaat om in elk geval onevenredige knelpunten te kunnen wegnemen.

[1] Arbeidsmigratie: minder waar het kan, beter waar het moet | SER

[2] Alliantie Work in NL | Rijksoverheid.nl

[3] Goed werkgeverschap – Handreiking voor de inzet van arbeidsmigranten

[4] Kamerstukken II 2025/26, 29861, nr. 212