17 FEB, 2026 • Meer informatie
KRW VRAAGBAAK
Deze vraagbaak biedt begrijpelijke informatie voor beleidsmedewerkers en journalisten die zich bezighouden met de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). We verwijzen ondernemers naar Ondernemen.nl/krw. Hier vinden ze naast de voor hen relevante vragen en antwoorden ook een tool waarmee ze kunnen achterhalen welke stoffen ze lozen en welke daarvan mogelijk problematisch zijn volgens de KRW-eisen. Ondernemers kunnen voor hun vragen ook gebruik maken van een kundige KRW-Supportdesk.
⇒ Wat maakt waterkwaliteit actueel?
De waterkwaliteit van honderden Nederlandse waterlichamen voldoet niet aan de Europese wet: de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dat maakt het een actueel onderwerp. De KRW stelt onder andere eisen aan de chemische en de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater. Een deel van de chemische stoffen in het water is afkomstig van het bedrijfsleven. Eind december 2027 moeten alle KRW-oppervlaktewateren in Nederland aan de kwaliteitseisen voldoen. Dan verloopt een belangrijke deadline voor een groot aantal chemische stoffen. Daarna volgen deadlines in 2033 en 2039 voor een langere lijst met chemische stoffen.
Bekijk de video van de Unie van Waterschappen over het belang van een goede waterkwaliteit en de KRW:
⇒ Wat zijn de doelen van de KRW?
De Kaderrichtlijn Water is een Europese richtlijn die sinds 2000 van kracht is. Alle lidstaten van de EU moeten hieraan voldoen. Bijna al het water aan de oppervlakte (rivieren, beken, plassen) en in de grond (grondwater) valt onder de KRW.
Met de KRW werken we samen aan een goede kwaliteit water. Dat wil zeggen: door de mens gemaakte chemische stoffen blijven onder een limiet (chemische eis) en het water, de waterbodem en de oevers bieden een goed leefmilieu voor plant en dier (ecologische eis).
De maatregelen die uit de KRW voortvloeien zijn heel verschillend. Denk bij ecologische maatregelen aan natuurvriendelijke oevers, paaiplaatsen voor vissen en een vispassage in gemalen, sluizen en waterkrachtcentrales. Denk bij maatregelen voor een goede chemische kwaliteit aan verminderen of zuiveren van schadelijke stoffen in het lozingswater. Dat gaat om zowel lozingen van schadelijke stoffen in afvalwater op het riool als direct op oppervlaktewater.
Twee principes staan centraal in de KRW:
- De verbeterplicht: Het is verplicht om de waterkwaliteit te herstellen of te verbeteren, zodat tijdig (voor eind 2027) een goede kwaliteit van het water wordt gerealiseerd.
- Het achteruitgangsverbod: Het is verboden om activiteiten uit te voeren (zoals lozingen) die een blijvende achteruitgang van de waterkwaliteit veroorzaken.
Omdat de waterkwaliteit al jaren bijna nergens in de EU-lidstaten aan de eisen voldoet, hebben de overheid, bedrijven en burgers in Europa veel werk te doen. Zoals de Unie van Waterschappen het verwoordt: ‘De KRW is niet uit luxe geboren, maar uit noodzaak’.
⇒ Heeft het bedrijfsleven nog niet genoeg gedaan?
Het bedrijfsleven heeft al veel gedaan. De waterkwaliteit is de afgelopen decennia daardoor sterk verbeterd, maar het is nog niet genoeg. De kwaliteit in veel Nederlandse wateren (en grondwater) voldoet niet aan de KRW-normen. Het is daarom van belang dat bedrijven hun emissies (uitstoot van schadelijke stoffen) kennen en het gebruik en de lozing van chemische stoffen vermijden, minimaliseren of beter zuiveren. Ook rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) kunnen niet (meer) voorkomen dat te veel chemische stoffen in het oppervlaktewater komen.
⇒ Waar komen die chemische stoffen vandaan?
Onderzoek naar chemische stoffen in het oppervlaktewater en het grondwater toont verschillende bronnen aan:
- Landbouw (nutriënten, fosfaten en bestrijdingsmiddelen).
- Verkeer en vervoer (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen ofwel PAK’s komen o.a. vrij bij de productie van asfalt).
- Natuurlijke uitloging (oplosbare bouw- of grondstoffen die in het water terecht kunnen komen).
- Uitspoeling (stoffen op of in de bodem die bijvoorbeeld door regen in het grondwater terecht komen).
- Moeilijk of niet afbreekbare stoffen (denk aan PFOS, PFOA en andere vormen van PFAS die lang geleden zijn geloosd en nog steeds in het water voorkomen).
- Buitenland (vanuit buurlanden stroomt ook nog steeds vervuild water de Nederlandse delta binnen. Dit is zo’n 30% tegenover 70% uit Nederland zelf).
⇒ Wat zijn de probleemstoffen in ons water?
De normen voor de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater volgen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Uit onderzoek van Rijkswaterstaat blijkt dat er van de 122 KRW-stoffen, nog 42 probleemstoffen zijn in ons water. Deze zijn opgenomen in de tabel hieronder.
Zie ook: Stoffenlijst KRW impuls | Informatiepunt Leefomgeving.
Bij de bestrijdingsmiddelen gaat het om de producenten van de bestrijdingsmiddelen, niet om de gebruikers (landbouw). Voor de gebruikers van bestrijdingsmiddelen is een apart actieprogramma opgezet binnen het KRW-Impulsprogramma van Rijk en Regio. KRW-tussenevaluatie chemische stoffen | Informatiepunt Leefomgeving
Voor de meeste bedrijven is een selectie daarvan relevant. Dit zijn de 16 meest voorkomende en problematische stoffen in bedrijfsprocessen.
Voor specifiek deze 42 of 16 KRW-stoffen zijn extra maatregelen nodig van het bedrijfsleven. In principe wordt hier de bronaanpak gevolgd. Ofwel nagaan of deze stoffen vervangen kunnen worden door duurzame alternatieven. Zo niet, dan kan er mogelijk minder worden gebruikt. Waar toch nog stoffen worden geloosd, is een optie om eerst zelf te zuiveren voordat afvalwater wordt geloosd.
⇒ Welke bedrijven hebben te maken met de KRW?
Er zijn 23 sectoren geïdentificeerd (zie tabellen op de homepage)waar (mogelijk) KRW-probleemstoffen worden gebruikt. In de KRW Self Assessmenttool op Ondernemen.nl/krw is er een koppeling gemaakt met de relevante KRW-stoffen in die sectoren. Voor de meeste sectoren zijn maximaal 16 stoffen relevant, voor een klein aantal alle 42 KRW-stoffen.
⇒ Wat moet er gebeuren door het bedrijfsleven?
Het bedrijfsleven heeft zijn eigen specifieke emissies en neemt zijn eigen verantwoordelijkheid. In veel gevallen is maatwerk geboden, afhankelijk van het bedrijfsproces, de stoffen waar het bedrijf mee werkt, de emissies en het waterlichaam waarin de emissies terechtkomen. Voor elk bedrijf is het van belang een volledig beeld te hebben van de eigen emissies. Het is belangrijk om emissies in het water te voorkomen, te verminderen, te minimaliseren of te zuiveren. Op Ondernemen.nl/krw helpen we bedrijven om inzicht te krijgen in hun situatie via de KRW Self Assessment tool.
⇒ Wat zijn de KRW-eisen per waterlichaam?
KRW-eisen worden per waterlichaam beoordeeld. Er zijn in Nederland 745 oppervlaktewaterlichamen en 23 grondwaterlichamen. Vooral voor oppervlaktewaterlichamen geldt dat er een grote variatie bestaat: van een drukbevaren Maas tot een vennetje in een (Europees beschermd) Natura 2000-gebied. Het aantal grondwaterlichamen is kleiner (23 in totaal) maar kent zijn eigen complexiteit. In elk oppervlaktewater- en grondwaterlichaam wordt regelmatig het gehalte van chemische stoffen gemeten. De huidige toestand van al deze wateren is te vinden in de factsheets op het Waterkwaliteitsportaal.
Deze factsheets zijn ook opgenomen in het KRW Self Assessment op Ondernemen.nl/krw voor zowel directe als indirecte lozingen. Bedrijven kunnen hierdoor direct zien wat de kwaliteit van het oppervlaktewater is waarop wordt geloosd (direct of via het riool). Dit is belangrijk omdat de huidige kwaliteit van het oppervlaktewater bepaalt welke lozingsruimte er nog is voor welke KRW-stoffen. Als een bedrijf één of meer KRW-stoffen gebruikt en loost, moet het er rekening mee houden dat de lozing hiervan fors ingeperkt kan worden om uiteindelijk de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren. Dit geldt voor alle lozers, ook voor degenen die op het riool lozen. Via de RWZI kan namelijk een deel van hun geloosde stoffen in het oppervlaktewater terechtkomen.
⇒ Hoe weet een bedrijf op welk waterlichaam het loost?
Er wordt in Nederland onderscheid gemaakt tussen Rijkswateren en Regionale wateren. Voor een onderneming die afvalwater loost is dat relevant omdat het bevoegd gezag voor beide wateren anders is (Rijkswaterstaat voor Rijkswateren en het waterschap voor Regionale wateren). In sommige gevallen kan een bedrijf ook met verschillende bevoegde instanties te maken hebben. Ondernemers kunnen via de KRW Self Assessment op Ondernemen.nl/krw achterhalen op welk waterlichaam ze direct of via de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) lozen.
⇒ Wat is het verschil tussen directe en indirecte lozingen?
Directe lozingen: Enkele bedrijven in Nederland lozen nadat ze zelf eerst hebben gezuiverd, direct op het oppervlaktewater of direct op de persleiding van een RWZI. Dit noemen we directe lozingen.
Indirecte lozingen: De meeste bedrijven in Nederland lozen op het openbare riool van de gemeente. Soms via een particuliere leiding van een ander bedrijf (denk aan een bedrijventerrein waar verschillende bedrijven hun afvalwater lozen op de leiding van een ander bedrijf, dat uiteindelijk loost op het openbare riool). Dit noemen we indirecte lozingen.
⇒ Met welk bevoegd gezag heeft een bedrijf te maken?
Het bevoegd gezag is afhankelijk van waar het bedrijf op loost (riool, oppervlaktewater of RWZI) en hoe het loost (direct of indirect). Zo is een oppervlaktewater een rijkswater (Rijkswaterstaat is beheerder en bevoegd gezag) of een regionaal waterlichaam (waterschap is beheerder en bevoegd gezag).
Onder Rijkswateren vallen onder meer de Noordzee, alle grote rivieren en het IJsselmeer. De complete lijst is te vinden in bijlage II van het Omgevingsbesluit. Voor Rijkswateren is Rijkswaterstaat de beheerder en daardoor bevoegd gezag.
Regionale waterlichamen zijn alle waterlichamen die geen Rijkswater zijn. Komt een waterlichaam niet voor op de lijst van het Omgevingsbesluit, dan is het dus een Regionaal water waarvoor een waterschap beheerder en bevoegd gezag is. Waterschappen zijn ook beheerders van alle RWZI’s (rioolwaterzuiveringsinstallaties).
Op Ondernemen.nl/krw kunnen bedrijven de KRW Self Assessment Tool doen. Dit geeft veel duidelijkheid over hoe ze lozen, in welk water hun lozing terecht komt en wat de kwaliteit van dat water is. Zo weten ze precies of en zo ja welke stoffen in hun bedrijfsproces mogelijk bekeken moeten worden en wie hiervoor het bevoegd gezag is.
Een onderneming moet weten of het voldoet aan de eisen die aan lozingen worden gesteld. Het kan bepalend zijn voor keuzes en bedrijfseconomische ontwikkelingen. Soms heeft een onderneming veel kennis in huis (vooral grote tot zeer grote ondernemingen), vaak is kennis van buiten gewenst (kleine en middelgrote ondernemingen). Het bevoegd gezag ondersteunt het bedrijfsleven met kennis en advies waar mogelijk.
| Waarop vindt de lozing plaats? | Soort lozing | Soort activiteit volgens de Omgevingswet | Bevoegd gezag? | |
| 1 | Oppervlaktewater in beheer van Rijkswaterstaat (rijkswater) | Direct | Lozingsactiviteit | Rijkswaterstaat (RWS) |
| 2 | Oppervlaktewater in beheer van een waterschap (regionaal water) | Direct | Lozingsactiviteit | Waterschap |
| 3 | RWZI (of op de persleiding hiervan, zonder tussenkomst van een openbaar riool) | Direct | Lozingsactiviteit | Waterschap |
| 4 | Openbaar riool | Indirect | Milieubelastende activiteit (mba) | Omgevingsdienst (namens gemeente of provincie) |
| 5 | Particuliere riool dat uitkomt op het openbaar riool | Indirect | Milieubelastende activiteit (mba) | Omgevingsdienst (namens gemeente of provincie) |
⇒ Hoe weet een bedrijf of de lozing vergunnings- of meldingsplichtig is?
Of een bedrijf vergunnings- of meldingsplichtig is volgt uit de Omgevingswet (voorheen de Waterwet voor directe lozingen en de Wabo voor indirecte lozingen). Veel informatie is te vinden bij het Informatiepunt Leefomgeving: www.IPLO.nl. Ook het bevoegd gezag kan informatie geven. Bij welk bevoegd gezag een onderneming moet zijn, hangt af van het oppervlaktewater of het riool waarop wordt geloosd (zie het schema hiervoor).
> Meer informatie over lozingen op Rijkswateren; vergunningen en/of meldingsplicht
Het Rijk heeft activiteiten aangewezen als vergunningplichtig in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor de industrie gaat het om de zogeheten milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten.
- Alle complexe bedrijven (bedrijven die door hun aard en omvang grote gevolgen kunnen hebben voor de leefomgeving) zijn voor al hun activiteiten vergunningplichtig. Dit is na te gaan in Afdeling 3.3 van het Bal.
- Voor de overige bedrijven moeten de andere afdelingen van hoofdstuk 3 van het Bal worden geraadpleegd. In deze andere afdelingen is soms ook een vergunningsplicht voorgeschreven. Als een bedrijf zichzelf niet terugvindt in het Bal, dan moet worden bedacht dat de milieuregels in het gemeentelijke omgevingsplan zijn te lezen. Denk hierbij heel concreet aan de vroegere ‘type A-inrichtingen’, zoals horeca, kantoren, detailhandel, scholen, etc. Voor dit soort bedrijven en instellingen is de KRW niet of nauwelijks relevant. Zij moeten hooguit opletten bij de keuze en het gebruik van (chemische) schoonmaakmiddelen.
- Veel lozingen zijn niet vergunningplichtig maar moeten voldoen aan algemene regels waarvoor vaak een meldingsplicht geldt.
- Voor lozingen in oppervlaktewater dat in beheer is van Rijkswaterstaat en die niet samenhangen met een in hoofdstuk 3 van het Bal geregelde milieubelastende activiteit, moet hoofdstuk 6 van het Bal worden bekeken. Het gaat dan om lozingen vanuit activiteiten in de openbare ruimte, zoals een bronnering of een bouwputbemaling, waarbij grondwater wordt weggepompt om droog in de bodem (de bouwput) te kunnen werken.
- Wie een directe lozing wil doen op de Noordzee, kan de regels hiervoor vinden in hoofdstuk 7 van het Bal.
> Meer informatie over lozingen op Regionale wateren
Veel directe lozingen op regionaal oppervlaktewater of een rioolwaterzuiveringsinstallatie zijn sinds de Omgevingswet geregeld in de waterschapsverordening.
- Denk concreet aan alle lozingen van de vroegere type A-inrichtingen (grofweg zijn dit de minst milieubelastende lozingen) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en alle lozingen die waren geregeld in het Besluit lozen buiten inrichtingen. Voor deze lozingen moet in de regel, net als vóór het tijdperk van de Omgevingswet, worden voldaan aan algemene regels. Maar waterschappen kunnen voor bepaalde directe lozingen vergunningplichten instellen in de waterschapsverordening. Het is dus altijd van belang de betreffende waterschapsverordening te raadplegen dan wel de vergunningencheck te doen in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO: Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) | Informatiepunt Leefomgeving).
> Meer informatie over lozingen op het openbare riool
Lozingen op het openbare riool zijn geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en eventueel het Omgevingsplan van de gemeente. Het Omgevingsplan is de beheerverordening waarin de regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving staan. Denk ook hier heel specifiek aan alle lozingen op het riool of in de bodem van de vroegere type A-inrichtingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en alle dergelijke lozingen die waren geregeld in het Besluit lozen buiten inrichtingen. Ook voor deze lozingen kan de vergunningencheck worden gedaan in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Of nu de gemeente of in sommige gevallen de provincie bevoegd gezag is: in alle gevallen is de uitvoering daarvan verlegd naar de Omgevingsdienst.
⇒ Hoe kan een bedrijf controleren of de huidige lozingsvergunning actueel is?
Het KRW-Actieprogramma Chemische Stoffen Bedrijfsleven van VNO-NCW en MKB-Nederland heeft een hulpmiddel waarmee een onderneming zelf kan onderzoeken of de lozingsvergunning of melding voldoet aan de eisen van de KRW: het KRW Self Assessment. Deze tool is beschikbaar voor directe en indirecte lozers. Op de website wordt uitgelegd hoe ondernemers zich hierop kunnen voorbereiden. Bijvoorbeeld welke documenten ze bij de hand moeten hebben.
Met behulp van het Self Assessment kunnen ondernemingen vrij gemakkelijk nagaan of het bedrijf een KRW-risico loopt. Dat risico is vrij groot als ze één of meer van de 42 nog problematische KRW-stoffen gebruiken of lozen. Ze zien snel op welk oppervlaktewater hun afvalwater terecht komt en welke KRW-stoffen in het oppervlaktewater de gestelde norm overschrijden. Hiermee wordt ook duidelijk of hun huidige lozingsvergunning actueel is of aanpassing behoeft.
⇒ Hoe wordt mijn vergunningplichtige lozing beoordeeld?
Een vergunningplichtige lozing wordt ten eerste beoordeeld aan de hand van de Algemene Beoordelings Methodiek (ABM). Als uit de ABM-toets blijkt dat een onderneming ondanks alle inspanning binnen het bedrijf toch nog te veel chemische stoffen loost, wordt de Immissietoets toegepast. Met deze toets beoordeelt het bevoegd gezag of een onderneming voldoende verdergaande maatregelen treft. Nadat de verdergaande maatregelen zijn uitgevoerd, worden opnieuw de stappen van de ABM doorlopen om te bepalen of een lozingsvergunning kan worden verleend.
⇒ Wat is de ABM-toets?
Voor de bronaanpak en de minimalisatieverplichting is de Algemene Beoordelings Methodiek (ABM) ontwikkeld. Dit is voor zowel directe als indirecte lozingen een verplicht toe te passen methode. De ABM omvat twee toets stappen.
Toets stap 1: Bronaanpak. Het accent ligt op het voorkómen dat bepaalde stoffen via afvalwater in het oppervlaktewater worden geloosd. In deze stap van de toetsing van een lozing wordt ten eerste beoordeeld welke stoffen vanuit waterkwaliteitsoogpunt toelaatbaar zijn in het te beoordelen (productie)proces. Hierbij wordt beoordeeld of de gebruikte stoffen vervangen kunnen worden door andere, minder schadelijke stoffen (substitutie). Ten tweede wordt beoordeeld in welke mate het toelaatbaar is dat deze stoffen terechtkomen in het te lozen afvalwater. Hierbij wordt onder meer nagegaan of door het aanpassen van processen contact van deze stoffen met water vermeden kan worden en of deze stoffen eventueel hergebruikt kunnen worden. Bij beide beoordelingen wordt erop toegezien dat ten minste de beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Na het doorlopen van deze stap blijft een zo klein mogelijke afvalwaterstroom over die zo weinig mogelijk milieubelastend is.
Toets stap 2: Minimalisatieverplichting. In deze stap van de toetsing van een lozing wordt beoordeeld in welke mate zuivering van de afvalwaterstroom noodzakelijk is voordat deze in het oppervlaktewater geloosd wordt. Ook bij deze beoordeling wordt erop toegezien dat ten minste de beste beschikbare technieken worden toegepast.
Als de uitkomst van beide stappen is dat niet wordt voldaan aan KRW-eisen, volgt de immissietoets. Hiervoor is het Handboek Immissietoets ontwikkeld dat voor zowel directe als indirecte lozingen toegepast moet worden door bedrijven en door het bevoegde gezag. Het vraagt wel enige kennis en ervaring met de immissietoets om deze als bedrijf goed te kunnen uitvoeren. Bedrijven kunnen hiervoor een ervaren adviseur vergunningverlening inhuren. Ook kunnen ze navraag doen bij het bevoegde gezag.
⇒ Wat houdt de Immissietoets in?
Als na het doorlopen van de twee toets stappen uit de ABM blijkt dat niet wordt voldaan aan KRW-eisen, moet een derde toets stap worden doorlopen. Deze staat beschreven in het Handboek Immissietoets.
Toets stap 3: Immissietoets. In deze stap van de toetsing van een lozing wordt beoordeeld of vanuit waterkwaliteitsoogpunt een nog verdergaande bronaanpak en/of zuivering nodig is dan uit de eerste twee toets stappen. Dit wordt bepaald op basis van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater waarop geloosd wordt en de relevante normen (‘omgevingswaarden’ zoals de KRW-normen) die daarvoor gelden. Uit deze toets stap kan volgen dat het nodig is technieken toe te passen die nog meer bescherming bieden dan de beste beschikbare technieken (ook wel BBT+ genoemd).
⇒ Wat kunnen ondernemingen doen als hun lozing of vergunning niet KRW-proof is?
Emissies vinden plaats tijdens het bedrijfsproces, maar ook al bij leveranciers of bij het gebruik van producten. Met andere woorden: in de gehele keten. Hoofdzaak is om alle emissies te inventariseren en te meten. Grote bedrijven hebben hiervoor eigen expertise in huis of huren deze in. Kleinere bedrijven zullen meestal leunen op expertise van buitenaf. Bedrijven kunnen ook overleggen met het bevoegd gezag (vooroverleg genoemd bij vergunningaanvragen).
⇒ Wat zijn gevolgen van het niet voldoen aan de KRW-eisen?
Als niet wordt voldaan aan KRW-eisen in 2027 (en de jaren daarna), kunnen er door de Europese Commissie boetes worden uitgedeeld aan de Nederlandse overheid. Handhaving (zoals boetes of dwangsommen) is aan de orde als incidenten niet worden gemeld en bij herhaalde overschrijding van normen zonder zicht op verbetering.
Bestaande lozingsvergunningen worden waar nodig herzien en voor nieuwe lozingen kan wel eens geen ruimte meer zijn. Dit geldt zowel voor directe lozingen (bevoegd gezag is waterschap of Rijkswaterstaat) als voor indirecte lozingen (bevoegd gezag is de omgevingsdienst die namens de betreffende gemeente of provincie kan handhaven). Handhavingsacties kunnen de continuïteit of de start van een bedrijf in gevaar brengen. Daarnaast wordt de druk vanuit de maatschappij steeds groter om schoner en verantwoord te ondernemen. Voor bedrijven is het dus belangrijk dat bestaande lozingen goed bekeken en waar nodig ingeperkt worden.
Met de groeiende aandacht die er voor de KRW-eisen is, wordt soms de vergelijking gemaakt met het ‘stikstofdossier’. Ook de KRW is juridisch en in de uitvoering behoorlijk ingewikkeld. De vergelijking met stikstof gaat niet helemaal op, maar de zorgen zijn terecht.
⇒ Welke ontwikkelingen worden er nog verwacht?
De lijst met chemische stoffen waarvoor een norm in het water geldt (onder de Omgevingswet een omgevingswaarde genoemd), wordt in de toekomst langer. Ook worden de normen in de toekomst strenger. Als gevolg worden de lozingsruimtes kleiner. Zo is er in oktober 2025 al een beperkte herziening geweest van de KRW die eind 2027 van kracht wordt. De belangrijkste wijzigingen zijn:
- Voor een aantal bestaande stoffen worden de normen aangescherpt. Voor deze aangepaste standaarden is de deadline 2033. Dit staat los van de bestaande deadlines voor chemische en ecologische waterkwaliteit binnen de KRW die tot en met 2027 doorlopen.
- Voor nieuw toegevoegde stoffen, zoals PFAS, pesticiden, bisfenol A en farmaceutische stoffen, gelden normen met een deadline in 2039 (uitstel mogelijk tot 2045).
- Normen voor PFAS:
- Oppervlaktewater: 4,4 ng/L (som van 25 PFAS in PFOA-equivalenten).
- Grondwater: 4,4 ng/L voor de som van 4 PFAS (PFHxS, PFOS, PFOA en PFNA), plus een bredere norm in lijn met de Drinkwaterrichtlijn
De temperatuur van lozingswater is een ander actueel thema. In het huidige toetsingskader wordt geborgd dat lozingen er niet toe leiden dat oppervlaktewater opwarmt tot boven de 28 graden Celsius. Het voornemen is deze grens te verlagen naar 25 graden Celsius. Zeker voor de zomerperiode heeft deze strengere norm grote gevolgen voor bijvoorbeeld bedrijven die koelwater lozen.
Met de deadline van 2027 in zicht, hebben enkele EU-lidstaten begin 2024 verzocht om aanpassing van onderdelen van de KRW. Het gaat hier onder andere om meer flexibiliteit met betrekking tot ‘tijdelijke achteruitgang’ (vooralsnog verboden) en het toetsingsprincipe ‘one out, all out’. (als in een waterlichaam één parameter niet voldoet (denk aan een stof in oppervlaktewater waarvan de norm is overschreden of het ontbreken van een vissoort), dan voldoet het hele waterlichaam niet aan de KRW-eisen.
De wijzigingen in de KRW (en dus Richtlijn Prioritaire Stoffen en de Grondwaterrichtlijn) moeten uiterlijk op 22 december 2027 in onze eigen Omgevingswet zijn omgezet. Hoewel op dit moment (december 2025) de volledige teksten nog niet beschikbaar zijn en het Europese Parlement de teksten formeel nog moet goedkeuren, is al wel duidelijk wat de hoofdpunten zijn:
- Voor de bestaande KRW-stoffen en ecologische doelen blijft de deadline van 2027 gehandhaafd.
- Er komen normen voor nieuw aangewezen bestrijdingsmiddelen, biociden en geneesmiddelen. Lidstaten krijgen tot 2039 om aan de normen te voldoen (met onder voorwaarden uitstel tot 2045).
- De lijst met prioritaire stoffen (uit de Richtlijn Prioritaire Stoffen) wordt uitgebreid met normen voor bepaalde PFAS-stoffen, waaronder trioflorazijnzuur (TFA). Ook worden enkele stoffen van de RPS-lijst verwijderd en komen er nieuwe bij.
- Voor de groep van hormoon verstorende stoffen wordt het instrument van effect gebaseerde monitoring geïntroduceerd. Daardoor ontstaat beter inzicht over de gevolgen hiervan voor de ecologische waterkwaliteit.
- Het ‘one out all out’-principe blijft van kracht, maar er komt meer ruimte om verbeteringen zichtbaar te maken via aanvullende rapportages.
- Er komen twee nieuwe uitzonderingsbepalingen:
- Tijdelijke achteruitgang van waterkwaliteit wordt onder strikte voorwaarden toegestaan.
- Het lokaal verplaatsen van verontreinigd sediment wordt vergemakkelijkt. Dat maakt het uitvoeren van werkzaamheden zoals baggeren eenvoudiger.