28 APR, 2026

INVESTEREN IN VERDIENVERMOGEN

Breng de basis op orde en zet in op de economie van de toekomst.

Kabinet legt stevig fundament, nu doorpakken in de uitvoering

Met de rapporten van Draghi en Wennink op tafel is de diagnose niet langer het probleem: de analyses zijn helder en eensluidend: Europa en Nederland moeten het verdienvermogen structureel versterken om economisch weerbaar, technologisch leidend en geopolitiek relevant te blijven. Europa en Nederland staan onder toenemende druk. Kritische technologieën, industrie, defensie, energie en technologie raken steeds verder verweven, terwijl geopolitieke concurrentie toeneemt en andere regio’s sneller en gerichter handelen.  Voor ondernemers vertaalt zich dit direct in onzekerheid over investeringen, energiekosten (verder versterkt door de situatie in het Midden Oosten) en de concurrentiepositie.

Nederland heeft sterke fundamenten: een open economie, innovatieve sectoren, hoogwaardige kennisinstellingen en een sterke positie in sleuteltechnologieën zoals halfgeleiders, waterbeheer, agrofood, chemie en hightech systemen. Maar de vanzelfsprekendheid is verdwenen. Achterblijvende productiviteitsgroei, R&D investeringen en opschaling, in combinatie met hoge energieprijzen en netcongestie drukken op de industrie.

De vraag is niet óf we in actie moeten komen, maar of we het tempo en de schaal aandurven die de nieuwe realiteit vraagt. Het kabinet onderkent dit ook.

VNO-NCW en MKB-Nederland zien dat het kabinet met het coalitieakkoord en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat de juiste richting kiest door de aanbevelingen uit het Advies-Wennink te vertalen naar beleid. De inzet op fiscale rust, sterke randvoorwaarden voor ondernemen, opschaling van hoogproductieve bedrijvigheid, extra middelen voor kennis en innovatie en betere toegang tot financiering (onder meer via de NII) is essentieel en wordt door het bedrijfsleven nadrukkelijk ondersteund.

Tegelijkertijd is scherpere regie nodig op de samenhang en uitvoering van de verschillende agenda’s. Hoe de zes strategische markten uit het Industriebeleid, de vier domeinen uit Wennink en 10 technologieën uit de Technologiestrategie samenkomen in een slagvaardige publiek-private aanpak is nog onvoldoende duidelijk. Het ontbreekt nog aan een heldere governance en aanpak van het nieuwe industriebeleid, wat risico van versnippering met zich meebrengt. Bovendien missen VNO-NCW en MKB-Nederland, ondanks de extra middelen voor innovatie en financiering via de NII, substantiële nationale cofinanciering om ook echt een rol te spelen in het Europese industriebeleid.

VNO-NCW en MKB-Nederland vinden dat de aanpak met een aantal verdere aanscherpingen kan worden versterkt.  

In deze brief schetsen we voor het debat over verdienvermogen in de Tweede Kamer op 9 april hiervoor een aantal suggesties. 

Twee sporen voor versterking van verdienvermogen

Om het verdienvermogen duurzaam te versterken, is een aanpak nodig langs twee samenhangende lijnen:

  1. Breng de basis op orde – voorspelbaar beleid, concurrerende energieprijzen, goede infrastructuur, ruimte om te ondernemen, toegang tot talent en kapitaal.
  2. Investeer gericht in de economie van de toekomst – sleuteltechnologieën, digitalisering, defensie-industrie, verduurzaming en opschaling van innovatieve bedrijven.

Alleen met die dubbele aanpak – fundament én toekomst – behouden we onze economische kracht, strategische autonomie en brede welvaart.

1.   Breng de basis op orde

Om private investeringen aan te wakkeren (de motor van innovatie en groei) is het van belang dat de basis van het ondernemersklimaat op orde is.

Stabiel en voorspelbaar beleid: Dit is essentieel voor het vertrouwen van ondernemers om vaak langjarige investeringen te doen. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat hun business case niet onderuitglijdt door sterk veranderend beleid van de (Rijks-) overheid. In een tijd van roerige internationale markten is het bieden van stabiliteit en voorspelbaarheid van overheidszijde belangrijker dan ooit.

Competitief fiscaal stelsel:

Dit kabinet biedt rust op het terrein van fiscale regelingen. Dat is zeker voor de korte termijn wenselijk.

Echter, voor het lange termijn verdienvermogen is meer nodig. Het Nederlandse vennootschapsbelastingtarief ligt met 25,8% significant hoger dan het Europese gemiddelde van 21,5%[1]. De belastingdruk op ondernemerswinst is onvoldoende competitief om Nederland aantrekkelijk te houden voor bedrijfsinvesteringen.

Ook binnen het stelsel zou meer gebruik kunnen worden gemaakt van fiscale prikkels om bedrijfsinvesteringen uit te lokken. Denk aan investeringsregelingen als KIA, MIA en EIA, verruimen van willekeurig afschrijven op nieuwe bedrijfsmiddelen en het versoepelen van de renteaftrek zodat de financiering van investeringen makkelijker wordt. Dat is van groot belang. De bedrijfsinvesteringen in Nederland blijven achter ten opzichte van andere Europese landen c.q. de Eurozone (waar deze voor Europa als geheel weer achterblijven bij de VS).

We vragen de Tweede Kamer om aan het kabinet te vragen voor de zomer in kaart te brengen op welke manieren het fiscale de achterblijvende investeringen kan ondersteunen.

Winst uit onderneming heeft andere functies dan het inkomen van werknemers. Het resultaat uit onderneming is noodzakelijk voor 1) (her)investeringen en innovatie die het voortbestaan van de onderneming borgt, 2) reserveringen voor slechte tijden of overnames en tot slot 3) het inkomen voor de ondernemer zelf. Zou ondernemerswinst gelijk worden belast als het inkomen van een werknemer dan is dat de dood in de pot voor ondernemerschap en innovatie in Nederland en daarmee voor ons toekomstig verdienvermogen. Daarnaast zijn loon van werknemers en winst uit onderneming verschillende grootheden. Loon is een vergoeding voor ingezette arbeid en winst uit onderneming is een vergoeding voor ingezette arbeid én kapitaal.

We vragen de Tweede Kamer om het kabinet te laten onderzoeken wat nodig is om te komen tot een belastingstelsel waarbij de belastingdruk van ondernemers niet langer wordt bepaald door rechtsvorm, maar tegelijkertijd wel leidt tot een belastingdruk op ondernemerswinst die op gepaste afstand lager ligt dan die van werknemers. 

Voor de kleinste bedrijven is de introductie van een winwin-lening naar Belgisch voorbeeld nodig. Daarmee kan meer privaat kapitaal worden gemobiliseerd mits de fiscale behandeling daarvan in box 3 niet afwijkt van wat internationaal gebruikelijk is (vermogenswinstbelasting). Het coalitieakkoord zet daar nog weinig concrete stappen.

We willen de Tweede Kamer vragen bij de Minister op aan te dringen met een plan te komen hoe deze succesvolle regeling ook in Nederland kan worden ingevoerd.  

Financiering: Het mkb kan een potentiële productiviteitswinst van 60 miljard behalen (Comité voor Ondernemerschap). Daarvoor moeten wel de nodige drempels en obstakels weggenomen worden. Naast knelpunten als regeldruk, belastingen en tekort aan personeel, is financiering vaak een bottleneck als bedrijven willen investeren en groeien.

Daarom is het van belang dat de knelpunten op de mkb-financieringsmarkt in volle vaart middels het Nationaal Convenant MKB-Financiering worden aangepakt.

Gelijk internationaal speelveld: De Nederlandse maakindustrie heeft op dit moment te kampen met een ongelijk speelveld, waardoor investeringen uitblijven en productiecapaciteit wordt afgeschaald. Het is daarom positief dat het kabinet een aantal verbeteringen wil doorvoeren, zoals het afschaffen van de nationale CO2-heffing en het verlagen van de elektriciteitskosten zodat die meer in lijn komen met onze buurlanden.

Deze stappen moeten snel uitgevoerd worden en waar mogelijk naar voren gehaald, zeker nu de concurrentiepositie verder onder druk komt door de oplopende energiekosten door de crisis in het Midden-Oosten.

Daarnaast is van belang dat volop wordt geïnvesteerd in de verdere ontwikkeling van duurzame energie en infrastructuur, zodat we onze weerbaarheid verder kunnen versterken.

Interne markt: De Europese interne markt is en blijft een belangrijke motor achter het verdienvermogen. Juist nu de Europese concurrentiekracht onder druk staat, is versterking van de interne markt essentieel.

Wij steun daarom de Interne Markt Strategie van de Europese Commissie, incl. de gerichte aanpak van de ‘Terrible Ten’ – de tien meest belemmerende barrières voor grensoverschrijdend ondernemen. Deze concrete en pragmatische aanpak is noodzakelijk, want volgens het IMF zijn de huidige interne marktbarrières vergelijkbaar met een impliciet handelstarief van circa 44% op goederen en zelfs 110% op diensten, wat het Europese verdienvermogen substantieel ondermijnt.

 

Het in januari gepubliceerde jaarlijkse concurrentiekrachtrapport van de Europese Commissie laat zien dat de integratie van de interne markt stagneert en dat nationale barrières economische groei blijven afremmen, terwijl investeringen teruglopen en de internationale concurrentiedruk toeneemt.

Nu de strategie zich in de uitvoeringsfase bevindt, is het cruciaal dat lidstaten, incl. Nederland, voortgang boeken op concrete dossiers. We moeten daarom het strategische belang van een goed functionerende interne markt centraal stellen en niet blijven hangen in nationale detaildiscussies. Alleen zo kan Europa zijn verdienvermogen versterken en zijn positie in de wereldeconomie behouden.

Maak investeringen mogelijk met vergunningen en ruimte op stroomnet: Duizenden investeringsplannen staan stil omdat ondernemers geen vergunning krijgen door de stikstofcrisis en tekorten op het stroomnet. Uit DNB-berekeningen blijkt dat de economische groei met 0,4% kan stijgen als we deze structurele knelpunten oplossen. We steunen daarom de ambitie van het kabinet om hier vaart mee te maken en kijken reikhalzend uit naar de voorstellen om de emissies van stikstof met juridische borging terug te brengen, zodat Nederland van het slot kan met onder meer een drempelwaarde per gebied.

Ook is van belang dat we met onconventionele stappen het energienet beter gaan benutten, onder andere door de risicobereidheid op het energienet te vergroten, en door het uitbreiden van het energienet met een Crisiswet én bijbehorende uitvoering en besluitvorming fors te versnellen.

Investeer in onze infrastructuur: Structureel investeren in infrastructuur is een randvoorwaarde voor het Nederlandse verdienvermogen. Bereikbaarheid en robuuste logistieke netwerken versterken de productiviteit, ondersteunen economische groei en houden Nederland aantrekkelijk als vestigingsland.

Het kabinet zet met aanvullende middelen een stap in de juiste richting, maar deze investeringen zijn nog onvoldoende om de bestaande achterstanden in onderhoud en uitbreiding van de infrastructuur in te lopen.

Ruimte voor economie nodig voor toekomstige welvaart en transities: Wij waarderen de inzet van het kabinet voor voldoende ruimte voor de economie en een sterkere regierol van het Rijk bij strategische bedrijvigheid. Positief zijn de plannen voor een ruimtelijk-economische strategie, aandacht voor industrieclusters en uitbreidingsruimte voor bedrijven en bedrijventerreinen. Tegelijk staat de ruimte voor economie onder druk, met slechts 2,6% van het landoppervlak beschikbaar. Terwijl de energietransitie en de circulaire economie meer ruimte vragen, dreigen bedrijventerreinen uitgeput te raken. Om welvaart en transities veilig te stellen, zijn duidelijke nationale keuzes nodig over ruimte voor ondernemers.

Daarom pleiten wij voor nationale doelen, versnelde uitbreiding, betere bescherming en benutting van bestaande ruimte en een gezamenlijke uitvoeringsagenda in 2026.

 

Talent: focus op onderwijs en (internationaal) bèta technisch talent

Onderwijs is de belangrijkste hefboom voor productiviteit. Werkgevers steunen daarom de richting van Talentstrategie van dit kabinet (meer inzet op mbo/hbo/wo, publiek-private samenwerking, leven lang ontwikkelen en gericht aantrekken van internationaal talent). Tegelijkertijd zijn er zorgen over o.a. stabiele financiering, aanpak van lerarentekorten en kwaliteitswaarborgen waardoor productiviteitswinst uit kan blijven. Werkgevers vrezen dat de doorstroom naar technische en digitale opleidingen onvoldoende aantrekt.

Daarom vragen we de Kamer aandacht te vragen voor het belang van:

  • investeren in docenten en praktijkgerichte samenwerking met bedrijven
  • een structurele stimulans voor ontwikkeling (LLO) zowel voor werkenden als werkzoekenden
  • gericht aantrekken van internationaal (bèta technisch) talent en behoud van de kennismigrantenregeling met de huidige salarisgrenzen (cruciaal voor startups).
  • Het ontwikkelen van een vakkrachtenregeling voor sectoren met grote tekorten, bijvoorbeeld via een Europese talentpool.

Beëindig claimcultuur, schrap nationale kop op massaschade wetgeving

Nederland is één van de koplopers van massaschadeclaims in Europa. Door de invoering van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie (WAMCA) is de totaal geclaimde schadevergoeding in collectieve acties explosief toegenomen. Momenteel lopen in Nederland 100 collectieve zaken, met een totale gevorderde schade van 88 miljard Euro. Dit is ongeveer 20 procent van alle collectieve zaken in de EU. De risico’s voor het bredere maatschappelijke en economische effecten voor het vestigings- en ondernemingsklimaat zijn daarmee aanzienlijk.

Met de WAMCA is in 2020 de mogelijkheid voor het claimen van collectieve schadevergoeding geïntroduceerd. Het opt-out karakter (d.w.z. alle beweerdelijke claims van benadeelden zijn onderdeel van de class action zonder dat deze benadeelden zich überhaupt hebben gemeld) heeft ook nog eens een versterkend effect gehad op de omvang van de collectieve vorderingen. Daarnaast introduceerde Nederland bij de invoering van de EU Richtlijn representatieve vorderingen op?diverse nationale koppen.

Met behoud van toegang tot de rechter, is het mogelijk om dehet? uitwassen van deze nationale regeling weg te nemen door een aantal aanpassingen en acties:

  • Het wegnemen van nationale koppen: beperk de collectieve actie tot waarvoor zij volgens de EU richtlijn representatieve vorderingen bedoeld is: terechte consumentenclaims op effectieve en efficiënte wijze collectief afdoen.
  • Beperking van commercialisering door een ‘cap’ op de vergoeding van financiers, die veelal van het voeren van rechtszaken een businessmodel maken, ten koste van de gedupeerden.
  • Representativiteit vooraf regelen en claims zonder expliciet mandaat voorkomen, door van opt-out over te gaan naar opt-in, bijv. door te eisen dat minimaal 30% van de benadeelden zich vooraf aan de claim verbindt.
  • Zet in op een bredere evaluatie van de WAMCA, dus onderzoek naar de maatschappelijke en economische (kosten)effecten van juridisering en collectieve actie. 

Herstel de internationale oriëntatie van Nederland: Handels- en investeringsakkoorden zijn onmisbaar voor onze economische weerbaarheid, bijv. i.v.m. toegang tot cruciale grondstoffen en het verminderen van strategische afhankelijkheden. Europa moet daarom vaart maken met akkoorden met India, ASEAN, Zuid-Amerika en de VS, en Nederland moet die ambitie weer voluit ondersteunen. Dat vraagt om goede exportfinanciering, krachtige internationale samenwerking, een visie op Afrika, het herstel van onze kennis- en innovatiesamenwerking én een stevig postennetwerk. 

Verminder de regeldruk 

De concurrentiekracht van het Nederlands bedrijfsleven staat onnodig onder druk door nationale koppen in lagere regelgeving en uitvoering en een overdaad aan regels (sturen op 100% risicoafdekking). De analyse in de brief over het Ondernemersklimaat waar regeldruk vandaan komt slaat de spijker op zijn kop.  

Wij benadrukken daarom het belang van:

  • Afscheid van de 0-risico cultuur bij de overheid via netto reductie-doelstellingen in ieder geval voor een aantal specifieke departementen (bv I&W, SWZ en VWS). Een netto doelstelling betekent dat regeldruk uit nieuwe nationale voorstellen en koppen gecompenseerd moet worden door te schrappen in bestaande regels binnen hetzelfde departement. Hier gaat een aantoonbaar disciplinerende en preventieve werking vanuit.  
  • Het toevoegen van een experimenteerartikel aan zoveel mogelijk wet- en regelgeving, dat ingezet kan worden wanneer deze regels innovatie belemmeren.  

Zet in op een krachtige Productiviteitsraad

De nieuwe Productiviteitsraad gaat (conform SER-advies Arbeidsproductiviteit) jaarlijks adviseren hoe de arbeidsproductiviteit verhoogd kan worden en monitort het effect van genomen maatregelen. De Raad adviseert over de volle breedte van de economie (private en publieke sectoren, op macro- en sectoraal niveau). In deze  cyclus komt het CPB in het voorjaar met een analyse van de Nederlandse economie, op basis waarvan de Raad in het najaar komt met aanbevelingen aan het kabinet, parlement en sociale partners.

Het is van belang dat de Tweede Kamer de aanbevelingen van de productiviteitsraad (Q3) bespreekt en het kabinet vraagt om deze te betrekken bij de begroting van 2028.

  1. Zet in op de economie van de toekomst

Nederland kan het economisch beleid echter niet beperken tot het bereiken van een goed generiek vestigingsklimaat, maar moet ook bereid zijn positieve keuzes te maken en gericht te investeren.

VNO-NCW en MKB-Nederland spreken in dit kader hun positieve waardering uit voor de aanzet hiervoor in het coalitieakkoord op basis van onder andere het rapport-Wennink. Deze plannen bieden een goede basis voor toekomstig beleid gericht op het verdienvermogen van morgen.

Breng focus aan: Er is sprake van vier gebieden van het Rapport-Wennink, zes markten uit het industriebeleid en 10 technologieën uit de Nationale Technologiestrategie. Op dit moment ontbreekt samenhang en een duidelijke governance waarin het (georganiseerd) bedrijfsleven wordt betrokken.  Wij benadrukken het belang van een kabinetsbrede aanpak onder leiding van een krachtig Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, omdat industriebeleid raakt aan innovatie, energie- en klimaatbeleid, handelsbeleid, regeldruk, vergunningen, stikstof en ruimtelijke ordening en (economische) veiligheid.

De Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat komt tegemoet aan deze noodzaak. VNO-NCW en MKB-Nederland benadrukken dat deze Taskforce als eerste stap een samenhangende aanpak moet ontwikkelen die een heldere koers en organisatie neerzet zodat publieke en private investeringen elkaar versterken.

Aansluiting en afstemming met het Europese industriebeleid is daarbij een voorwaarde voor succes. Juist door Europees op te trekken zal het mogelijk worden opgelopen achterstand (de innovatiekloof) in te halen en om te zetten in (technologisch) leiderschap. Zonder gerichte investeringsruimte voor IPCEI’s (bijv. middels een nationaal EU cofinancieringsfonds) wordt het echter een ingewikkelde exercitie, met als gevolg dat nieuwe ontwikkelingen van in Nederland gevestigde bedrijven elders in de EU zullen landen. Deze problematiek wordt de komende jaren groter en urgenter, met meer industrieprogramma’s die in de Europese context worden ontwikkeld (en waarvoor nationale cofinanciering nodig is).

Wij vragen u om in het debat aandacht te vragen voor het volgende:

  • Periodieke rapportages over de voortgang van de adviezen van Wennink.
  • De financiering van Nederlandse deelname IPCEI’s die op dit moment in ontwikkeling zijn, in het bijzonder de IPCEI AI.
  • De noodzaak om de verschillende strategieën en plannen op het gebied van industrie- en innovatie en handelsbeleid te koppelen aan een heldere governance. De Taskforce is een goede stap, maar daarnaast zou oog moeten komen voor het totaalplaatje met daarin bv ook de Semicon Board, de Biotech Board, de Sectortafel Chemie, TKI bureaus etc..
  • De noodzaak om een plan te maken voor Nederlandse cofinanciering van Europees industriebeleid (IPCEI’s, Chips Act en vanaf 2028 ook het European Competitiveness Fund).
  • Eventueel vrijvallende middelen binnen het Nationaal Groeifonds binnen het Groeifonds te behouden.
  • Zet de meevallerformule (1/3 voor investeringen die het verdienvermogen van Nederland versterken) ook in voor een deel van de onder uitputting.

Zet in op versnelling van AI en digitalisering gezien het grote belang voor onze toekomstige welvaart en welzijn. Hoe we nú omgaan met deze systeemtechnologie is doorslaggevend. Nederland heeft daarom een plan nodig om de ontwikkeling van AI te versnellen. Een cultuur van datadeling is bovendien cruciaal; de overheid kan dit stimuleren met sectorale dataruimtes en datahubs, zoals de EDIHs (European Digital Innovation Hub). Tegelijk moet Nederland vol inzetten op de digitale Tech sector als groeimotor, ondersteund door een robuuste digitale infrastructuur. Hoewel dat nu nog een kracht is, staat de Nederlandse positie onder druk. Knelpunten zoals locatiebeperkingen voor 5G-antennes en versnipperd datacenterbeleid moeten worden opgelost.

Wij verzoeken u in het debat aandacht te vragen voor het volgende:

  • Ontwikkelen van een nationaal plan om de ontwikkeling van AI te versnellen, met nadruk op praktische toepassing, talent en inzet op brede adoptie van AI.
  • Ontwikkelen van een nationaal strategisch kader t.b.v. de ontwikkeling van een robuuste en concurrerende data-infrastructuur.

Bevorder de doorgroei van startups naar scale-ups

Veelbelovende Nederlandse startups lopen vaak vast en groeien niet door omdat er te weinig kapitaal beschikbaar is voor latere financieringsrondes (met name boven de €50 miljoen). Hierdoor zijn bedrijven afhankelijk van buitenlandse investeerders, wat het risico vergroot dat zij hun activiteiten naar het buitenland verplaatsen. Vooral deeptechbedrijven hebben last van deze kloof, omdat hun kapitaalbehoefte groot is terwijl commerciële toepassingen vaak nog ver weg liggen. Om dit te verhelpen pleiten wij voor gericht beleid dat grotere fondsen mogelijk maakt, zoals fund-of-fund-constructies en een sterkere rol voor een nationale investeringsinstelling, én voor het mobiliseren van privaat kapitaal (bijvoorbeeld via pensioenfondsen) in combinatie met een verdere ontwikkeling van de Europese Kapitaalmarktunie.

Daarnaast is het van groot belang om met de bezuiniging op het Toekomstfonds te voorkomen dat startups worden benadeeld. Dit fonds is opgericht op instigatie van de Tweede Kamer (Motie Pechtold c.s.). In het Regeerakkoord staat het voornemen fors om te buigen op dit (deels revolverende) Toekomstfonds. Het Fonds bestaat uit twee delen:

  • Het bedrijvendeel is gericht op het vergroten van toegang tot risicokapitaal en het financieren van innovatieve, snelgroeiende mkb-bedrijven (Vroegefasefinanciering, Seed Capital, Dutch Venture Initiatieven, Innovatiekrediet en financiering via ROMs). Deze regelingen zijn positief geëvalueerd en van groot belang voor juist de innovatieve start- en scale-ups.
  • Het onderzoeksdeel richt zich op Faciliteiten voor Toegepast Onderzoek (FTO), bv een windtunnel of AI modellen; toegepast PPS onderzoek en de Thematische Technology Transfer regeling. 

Wij verzoeken u in het debat aandacht te vragen:

  • Voor het belang van de regelingen binnen het Toekomstfonds voor het innovatieve mkb. Het is essentieel dat hier niet in wordt omgebogen.
  • Voor de revolverendheid van het fonds en het in kaart brengen van de effecten van eventuele ombuigingen op de revolverendheid van het Fonds (en dus de mogelijkheid om opbrengsten te herinvesteren).

Thomas Grosfeld plv Directeur beleid: grosfeld@vnoncw-mkbnl
Reineke Timmermans secretaris innovatie en industriebeleid : rtimmermans@vnoncw-mkb.nl

defensieenergieindustrieinnovatie- en onderzoektechnologie